![]() |
BAART, Lucretia Jacoba (roepnaam: Lucie), feministisch schrijfster en medeoprichtster van de SDAP-afdeling te Bergen (N.H.), is geboren te Middelburg op 2 april 1850 en overleden te Bergen (N.H.) op 4 maart 1932. Zij was de dochter van Kornelis Baart, winkelier in manufacturen, en Wilhelmina Maria Beunke. Baart was de tweede van het vier dochters tellende gezin. In het ouderlijk huis heersten progressieve meningen over de maatschappij en de rol van vrouwen daarin. Meisjes moesten leren haar eigen brood te verdienen en een huwelijk mocht slechts uit liefde worden aangegaan, nooit als vorm van broodwinning. Evenals haar zusters volgde zij dan ook meer onderwijs dan alleen de lagere school. Zij opende in Middelburg een foto-atelier en werd net als haar jongere zuster Elize, die uitblonk in de voordrachtskunst, excentriek gevonden. Na haar kennismaking met de actieve feministe Mina Krüseman midden of eind 1873 beijverde deze zich om een novelle van Baart, die was gaan schrijven en vertalen, geplaatst te krijgen in het tijdschrift Nederland van J. ten Brink. Toen deze weigerde ('De goede qualiteiten wegen tegen den gebrekkigen vorm niet op') nam Krüseman 'De familie Wollink' op in haar autobiografie in brieven Mijn leven (Dordrecht 1877). De strekking van de novelle is dat ouders hun kinderen nooit tot een huwelijk mogen dwingen, dat meisjes voor zichzelf moeten kunnen zorgen en dat mannen niet bang moeten zijn een geëmancipeerde vrouw te trouwen. Nam Krüseman haar zuster Elize geheel onder haar hoede, met Baart was het contact afstandelijker. Hun levendige correspondentie - waarvan alleen de brieven van Krüseman over zijn - toont dat zij Baart over allerlei persoonlijke zaken raadpleegde, ook over Elize. In februari 1876 raadde Krüseman haar het vertaalwerk af en stimuleerde zij haar door te gaan met schrijven: 'probeer jij eens een bundeltje te schrijven en noem 't Portretten. Een verzameling karakterstudies, korte, op zich zelve staande schetsjes, die elk afzonderlijk een afgerond geheel vormen en raak zijn. Dat is 't eenige genre dat geschikt is voor iemand, die, als jij, z'n hoofd zoo vol heeft met allerhande uiteenloopende gedachten, dat hij onmogelijk één draad kan volgen als een rechte lijn, te midden van zoo veel dwarsdraden, die de omstandigheden hem spannen, elk uur van zijn leven.' In 1880 deed Baart haar atelier over aan de fotograaf G. Hiemstra, die kort daarna enige tijd met haar oudere zuster getrouwd was. Eind augustus van dat jaar aanvaardde zij een baan als secretaresse in Groningen bij de letterkundige en vrijdenker F. Feringa, een vriend van haar kort tevoren zo tragisch overleden zuster Elize, die zich samen met haar man B.P. Korteweg van het leven had beroofd. Waaruit haar werkzaamheden voor Feringa bestonden is niet duidelijk, want zo lang zij bij hem in dienst was verscheen er niets van zijn hand. In 1884 keerde Baart naar Middelburg terug. Van 1886 tot 1892 publiceerde zij,vaak onder pseudoniem, novellen in de tijdschriften Europa en Nederland en de bundel Novellen (Haarlem 1889). Al haar belletristisch werk draaide om het thema 'vrouw en huwelijk' en pleitte voor de zelfstandigheid van vrouwen. Liefde moest, medelijden mocht nooit de grondslag van een huwelijk zijn, aldus Baart. De vrouw moest in staat zijn haar eigen brood te verdienen, en als zij trouwde was het goed dat zij bleef deelnemen aan het maatschappelijk leven. Zelfs het beste huwelijk was geen levensvervulling, vond Baart. Al zocht Baart het niet in het sensationele, melodramatische verhaal, zoals haar zuster Elize, toch was ook haar schrijftalent niet groot. Met haar ideeën over de onafhankelijkheid van vrouwen behoorde zij evenwel tot een kleine groep die de geesten rijp maakte voor een feministisch boek als Hilda van Suylenburg (Amsterdam 1897) van C. Goekoop-de Jong van Beek en Donk, dat in 1898 opgang maakte. Zelf had Baart meegewerkt aan De Vrouw. Weekblad tot onderwijs en ontspanning van vrouwen en meisjes, dat de socialist J.A. Nieuwenhuis, die zij uit Groningen kende, in 1888 in Amsterdam uitgaf. In Middelburg gaf zij zich met de muziekpedagoge M. Berdenis van Berlekom op voor het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, toen dit in 1889 besloten had ook vrouwen toe te laten. Maar volgens P.J. Meertens vond zij in de kring van de vooruitstrevende liberale hogere burgerij, die zich in de jaren negentig voor het sociale vraagstuk begon te interesseren, haar plaats niet. Behalve met schrijven voorzag zij vanaf 1893 met vertaalwerk (ook onder pseudoniem) in haar levensonderhoud. PUBLIKATIES: Behalve de genoemde: 'Verkeerd begrepen' in: Nederland, 1886; 'Toch gewonnen' in: Europa, 1887; 'Gonda' in: Europa, 1891; 'Jetta' in: Nederland, 1892; vertalingen van onder anderen: Hall Caine, Ludwig Ganghofer, Robert Hichens, Rudyard Kipling, Barones Emmuska Orczy, Clara Viebig, C.N. en W.M. Williamson. LITERATUUR: M. Krüseman, Mijn leven II en III (Dordrecht 1877); A.B. Kleerekoper, 'Partijgenoote Lucie Baart' in: Het Volk, 2.4.1930; Arbeidersjaarboekje voor 1931, 30; Het Volk, 4.3.1932; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 5.3.1932; Het Volk, 8.3.1932; M. G[erhard]-B[randon], 'In memoriam Lucie Baart' in: De Proletarische Vrouw, 9.3.l933; Arbeidersjaarboekje voor 1933, 23-24; J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933) 136; P.J. Meertens, 'Baart (Lücie (Lucretia Jacoba))' in: Mededelingenblad, 1961, nr. 20, 8-10; P.J. Meertens, 'Een Middelburgse burgerfamilie uit de negentiende eeuw. Kornelis Baart en zijn dochters' in: Archief Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, 1970, 68-99, herdrukt in: P. Meertens, In het voetspoor van Henriette Roland Holst (Alphen aan den Rijn 1982) 160-204. PORTRET: L.J. Baart (ca. 1888), IISG Auteur: Margot de Waal Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 6 (1995), p. 8-10 |