![]() |
BURINK, Gerrit van communistisch, later nationaal-socialistisch onderwijzer en journalist, is geboren te Harderwijk op 1 oktober 1891 en overleden te Den Haag op 8 juni 1961. Hij was de zoon van Elbertus Christiaan van Burink, kleermaker, en Gerritje van Wijk. In 1916 trad hij in het huwelijk met Catharina Perfors, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 16 februari 1928. Op 19 juli 1939 hertrouwde hij met Maria Elizabeth Meyninger. Dit huwelijk bleef kinderloos. Van Burink bracht zijn jeugd door in Harderwijk. In 1912 werd hij onderwijzer in het nabijgelegen Oene. In 1913 vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij in Djokjakarta, Gorontalo (Celebes) en Semarang in het onderwijs werkte. In 1916 ontmoette hij in Semarang Henk Sneevliet, van wiens Indische Sociaal-Democratische Vereeniging (ISDV) hij lid werd en die hij in april 1918 opvolgde als voorzitter van de afdeling Semarang. Toen het kader van de ISDV dat in overheidsdienst was over de archipel werd verspreid moest Van Burink eind juni 1918 op het Zuidmolukse eiland Banda Neira gaan werken, waarbij door de Politieke Inlichtingen-Dienst in de gaten werd gehouden. Aan Sneevliet liet hij weten niets voor de partij te kunnen doen: 'Bericht van een doode zou ik hierboven kunnen zetten want waarachtig ben ik hier levend begraven.' In 1921 werd hij uit zijn functie ontheven en tot ongewenst persoon in Nederlands-Indië verklaard, waarna hij naar Nederland vertrok. In januari 1922 vestigde hij zich met zijn gezin in Rotterdam, waar hij van meet af aan betrokken was bij de activiteiten van de Communistische Partij in Nederland (CPN). Hij werd verslaggever van De Tribune en in mei 1922 volgde zijn benoeming tot secretaris van de CPN-afdeling Rotterdam. In oktober 1922 richtte hij het Werkloozen Agitatie Comité op en in februari 1923 werd hij secretaris van het Comité tegen Oorlog en Oorlogsvoorbereiding. In diezelfde tijd was hij kandidaat bij de verkiezingen voor Provinciale Staten en voor de gemeenteraad. In mei 1923 werd hij in de Rotterdamse raad gekozen, waar hij door zijn felle maar ook humoristische debatteerstijl al snel opviel. Zijn relatie met het L.G.A. Coremans van de Rapalje-partij was ronduit vijandig, die met de overige raadsleden niet veel beter. Zijn geruchtmakende optreden maakte Van Burink populair bij de CPN-achterban. Hij hield dagelijks spreekuur en was betrokken bij acties tegen huurverhogingen en duurte. Toen hij in 1926 lid werd van de CPN-afsplitsing Communistische Partij Holland-Centraal Comité (CPH-CC) nam hij de leiding van de afdeling Rotterdam op zich, zijn aanhang volgde hem trouw. Zijn gedrag bleef agressief zowel verbaal als fysiek. In de gemeenteraad kwam het regelmatig tot incidenten, evenals in de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij sinds 1927 zitting had. In 1929 was Van Burink het beoogde slachtoffer van een moordaanslag, die geïnitieerd was door de CPN en die op 1 augustus 1929 moest plaatsvinden. De briefwisseling waarin de aanslag werd voorbereid viel echter in handen van de CPH-CC, die de correspondentie in haar partijorgaan De Communistische Gids publiceerde. CPN-bestuurslid R. van Riel werd als brein achter de moordplannen genoemd, maar J. Visscher werd als schuldige aangewezen en tijdelijk geschorst. Rancuneus was Van Burink echter niet. Toen de CPH-CC zich in juli 1930 ophief waren de leden weer welkom in de moederpartij. Van Burink was bereid zijn ongelijk te erkennen en werd weer in genade aangenomen, hoewel het partijbestuur zijn schuldbekentenis als onvoldoende beschouwde. Na enkele weken trad Van Burink echter al weer uit de partij. Nog datzelfde jaar sloot hij zich aan bij de Revolutionair Socialistische Partij (RSP), die zijn aanhang wel kon gebruiken. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1931 wist de RSP twee zetels in de Rotterdamse raad te veroveren: Van Burink en A. Menist. In 1930 was er ook nog sprake van samenwerking met de Haagse anarchist P.A. Kooijman. Doel was het coördineren van werklozenacties, maar veel stelde het niet voor. In 1932 scheidden de wegen van Van Burink en de RSP. Hij zou met penningmeester E. Sirach betrokken zijn geweest bij frauduleuze handelingen. Tevens werden hem fascistische sympathieën aangewreven, omdat hij in deze periode contact had met het aartsconservatieve (maar niet fascistische) Verbond voor Nationaal Herstel (VNH). In 1933 wist het VNH een zetel in de Tweede Kamer te bemachtigen. Om ook in arbeiderskringen aanhang te verwerven werd in mei 1933 de Nationale Werknemersvereniging (NWV) opgericht, die vooral bedoeld was om bij stakingen werkwilligen te leveren. Veel succes had de NWV echter niet onder de doelgroep. Daarom besloot het bestuur van het VNH, dat inmiddels met Van Burink in contact was getreden, hem in de leiding van de NWV op te nemen. Het zittende bestuur van de NWV legde zich daar echter niet bij neer en Van Burink moest in juni 1934 genoegen nemen met het voorzitterschap van de afdeling Rotterdam. In november 1935 werd de NWV door de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) overgenomen. Van Burink had binnen de kortste keren ruzie met de nieuwe leiding en hield het al snel voor gezien. Inmiddels had Van Burink, waarschijnlijk al in 1932, de Bond Actieve Zakendrijvenden (BoAcZa) opgericht, die in de loop van de tijd ongeveer 1500 leden kreeg. Per lid kreeg Van Burink een bepaald bedrag uitgekeerd, waarvoor hij de leden met raad en daad terzijde moest staan. Daarnaast werd hij steeds via zijn eigen lijst verkozen voor de Rotterdamse gemeenteraad, meestal zelfs met voldoende stemmen om ook de nummer twee op de lijst de raad in te loodsen. Na de periode bij de NWV was hij voorjaar 1938 kort betrokken bij de Nederlandse Volkspartij van de ex-NSB'er ds. G. van Duyl, maar al in maart 1938 richtte hij met een aantal geestverwanten de Onevo op, de Onafhankelijke Nederlandse Volkspartij. In 1939 waren er ook contacten met Arnold Meijers Zwart Front, die op niets uitliepen. ARCHIEF: Knipseldossier Gerrit van Burink in Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Amsterdam); Strafdossier Bijzondere Rechtspleging Gerrit van Burink in Ministerie van Justitie (Den Haag). PUBLIKATIES: De zwijnerij met de agentprovocateur (Rotterdam 1931). LITERATUUR: Waarschuwing aan de Rotterdamsche arbeiders over het geval Van Burink, gemeenteraadslid en de inbraken en meerdere dingen (Rotterdam 1932); A.J. Koejemans, Van 'ja' tot amen' (Amsterdam 1961) 45-54; J. de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965) 257-258, 368, 402, 408; R.T. MacVey, The rise of Indonesian communism (New York 19682) 98, 253, 366, 383, 390; H.J.L. Vonhoff, Bewegend verleden. Een biografische visie op prof mr. P.J. Oud (Alphen aan den Rijn 1969) 90-92; A.A. de Jonge, Het communisme in Nederland (Den Haag 1972) 45-46, 49, 52; M. Perthus, Henk Sneevliet (Nijmegen 1976); B. Schmidt, Rode jaren (Rotterdam 1981) 31, 36, 38-39; G. Harmsen, 'De Wijnkoop-partij 1926-1930. Voorspel, ontstaan en verloop van het schisma in het nederlandse kommunisme; de geschiedenis van de CPH-CC' in: Nederlands kommunisme (Nijmegen 1982) 67-90; Rood Rotterdam in de jaren '30 (Rotterdam 1984) 34, 35, 47, 81, 87, 89-91, 246-248, 288, 305, 349-350; J.L. van der Pauw, Coremans de Rapaljaan (Rotterdam 1986) 40-42, 55; M. Eekman, H. Pieterson, Linkssocialisme tussen de wereldoorlogen (Amsterdam 1987) 120, 121, 148, 153, 171-172; G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001). PORTRET: G. van Burink (1941), particuliere collectie Auteur: Jan H. Nijdam, Ruud Uittenhout Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 6 (1995), p. 39-43 Laatst gewijzigd: 05-02-2003 |