![]() |
HAAS, Johan de (roepnaam: Jo), propagandist voor het vrije socialisme, is geboren te De Rijp (NH) op 1 september 1897 en gefusilleerd te Assen (in het Asserbos) op 10 april 1945. Hij was de zoon van Jacobus Alexander de Haas, souffleur, toneelspeler en reizend komediant, en Maria Elisabeth Willems. Toen De Haas zes jaar was, scheidden zijn ouders. Hij woonde daarna voornamelijk bij zijn vader op verschillende adressen in Amsterdam. Met de Marine werd een contract gesloten, waardoor hij vanaf zijn veertiende jaar in maart 1912 tot september 1921 aan deze dienst 'verkocht' was. Pas in 1917 lukte het hem door persoonlijke dienstweigering - waarvoor hij tien maanden in de gevangenis zat - uit dienst te komen. Vanaf mei 1918 was hij vrij om zijn eigen leven te leiden. Hij werd lid van de Sociaal Anarchistische Jeugdorganisatie (SAJO) in Amsterdam en werkte aan zijn eigen ontwikkeling. Hij werd al gauw een vooraanstaande figuur in de SAJO, vooral door zijn talent om te spreken. Daarna werd hij daarvoor ook gevraagd door de Internationale Anti Militaristische Vereeniging (IAMV) en de vrijdenkersbeweging. In de tijd tussen 1922 en 1924 trok hij er minder op uit en schreef veel voor Alarm. Per fiets bereisde hij vooral het noorden van het land en sprak voor 'vrije' groepen om propaganda te maken voor zijn idealen. Hij was toen nog niet 'geweldloos', maar ageerde tegen partijen, vakbeweging, parlement en 'bonzen', tegen het communisme maar voor het anarchisme en proletarische zelfbevrijding. Zijn kracht school er in dat hij in een voor iedereen begrijpelijke taal sprak, de taal van de 'gewone mens'. Veel geestverwanten begrepen echter de rol van De Haas bij de bomaanslag op 7 november 1921 op het huis van majoor Verspyck (een van de rechters in de zaak-Groenendaal) en de in hoger beroep gevolgde vrijspraak niet. De Haas legde de zaak ook niet uit. Daarom bleven sommigen, vooral in het westen van het land, gedurende de rest van zijn leven steeds oppositie tegen hem voeren als een 'verrader'. Dit was een van de redenen dat hij geen redacteur van De Arbeider in 1933 werd. ARCHIEF: Collectie Jo de Haas in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, Aanvulling II in: TvSG, november 1986). PUBLIKATIES: Zie: P. Ebbes, Jo de Haas. Uit het leven van een propagandist voor de antimilitaristische-, socialistische- en vrije gedachte (Groningen 1984; ongepubliceerde scriptie aanwezig in IISG) en J. de Haas, Geest contra geweld. Uit de geestelijke nalatenschap van een diep bewogen mensenleven. Ingeleid en samengesteld door J. Rees (Den Haag 1948). LITERATUUR: G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Nijmegen 1961); P.A. Kooyman, Neem en eet (Den Haag 1967); A. Constandse, De Alarmisten 1918-1933 (Amsterdam 1975); H. Ramaer, De piramide der tirannie (Amsterdam 1977): D. Ploeger en C. Ploeger-Eimers, Dagelijks leven in de vrij-socialistische beweging in Groningen door hen zelf verteld (Groningen 1979); P. Ebbes, Jo de Haas. Uit het leven van een propagandist voor de anti-militaristische-socialistische- en vrije gedachte (Doctoraalscriptie geschiedenis RUG 1984); H. van Houten, Anarchisme in Drenthe. Levensherinneringen van een veenarbeider (Baarn 1985). PORTRET: J. de Haas, particulier bezit Auteur: Peter Ebbes Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 1 (1986), p. 43-44 Laatst gewijzigd: 10-02-2003 |