![]() |
HONDT, Luberta de (bekend als Berta de Vries), actief in de revolutionair-socialistische vrouwenbeweging, de Communistische Partij in Nederland en het Amsterdams Speeltuinverbond, is geboren te Amsterdam op 23 januari 1885 en aldaar overleden op 19 april 1959. Zij was de dochter van Pieter de Hondt, zeeman en brandwacht, en Margje van Veen. Op 21 oktober 1903 trad zij in het huwelijk met Jacob de Vries, schuitevoerder, met wie zij drie dochters en een zoon kreeg. De Hondt, die haar hele leven in de Amsterdamse Jordaan zou wonen, had een moeilijke jeugd. Haar alcoholische vader verwekte veel kinderen maar verdiende weinig. Dus droeg zij al jong bij aan het gezinsinkomen en miste de onderwijzersopleiding waarvoor het schoolhoofd haar geschikt achtte. Zij kwam in verzet tegen de drankzucht van de vader, werd geheelonthoudster en bekeerde later ook haar echtgenoot, met wie zij zich aansloot bij de Internationale Orde van Goede Tempelieren. Het protest tegen de alcohol was de opmaat tot haar politieke bewustwording. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog sloot zij zich aan bij de SDAP. Teleurgesteld in een sociaal-democratie die zij voor te volgzaam-nationalistisch hield, ging zij in 1916 over naar de radicalere anti-oorlogsgezinde Sociaal-Democratische Partij (SDP) en raakte betrokken bij de Revolutionair-Socialistische Vrouwenbond. Het sluitstuk van haar ontwikkeling was de overwinning in Rusland van Lenins bolsjewieken. Daar werd haar gedroomd-rechtvaardige samenleving verwezenlijkt, daaraan ontleende zij de zekerheid van de overwinning van het socialisme in Nederland. Maar zij was te praktisch om daar dweepziek op te wachten en te aards om het revolutionaire gebaar te verkiezen boven tastbaarder verbetering. Zo ontwikkelde zij zich, naar gezindheid revolutionair, tot reformist in de praktijk. In 1917 trad zij uit de anonimiteit. Als lid van een (vrouwen) Comité tegen de Duurte nam zij deel aan het Amsterdamse 'Aardappeloproer', een vooral in de Jordaan en op Kattenburg geworteld protest tegen voedselgebrek, slechte kwaliteit en hoge prijzen. Voor SDAP-gemeenteraadslid S.R. de Miranda vormden de opstandigen 'het achterlijkste deel van de arbeidersklasse' en minister F.E. Posthuma hield de actievoerders voor plunderaars. Voor zover mogelijk echter regelde De Vries dat verkregen aardappels ook betaald werden. Tijdens een bezoek van een Amsterdamse vrouwendelegatie op 4 juli aan de minister wees zij diens beschuldiging dan ook met kracht van de hand. Zij trad steeds met gezag op. Dat had te maken met haar blik. Zij dwong daarmee zoveel respect af dat de politieman haar bij de straatrel ontweek en de tramconducteur haar nooit vroeg of zij al betaald had (hetgeen niét zo was). Henriette Roland Holst stelde haar schilderende echtgenoot voor haar te portretteren, 'want zij symboliseert op haar eentje de jonge arbeidersbeweging'. Ook raadde zij De Vries aan haar jeugdherinneringen op te schrijven. Heleen Ankersmit, die een tijdlang met haar optrok voor het tussen 1917 en 1921 verschenen revolutionair-socialistische vrouwenblad De Voorbode, noemde haar 'een prachtig voorbeeld, hoe arbeidersvrouwen kunnen zijn, een kracht die voor haar klasse een menselijke samenleving bevechten'. Er begon een periode waarin het partij lid De Vries nadrukkelijk van zich liet horen. In de jaren twintig vervulde zij op verschillende niveaus bestuursposten in de Communistische Partij in Nederland (CPN), zoals de SDP sinds 1918 heette. Zij hield talloze spreekbeurten, was kandidaat voor gemeenteraads- en Kamerverkiezingen en nam deel aan het vrouwenwerk. Zij trad toe tot de in 1927 nieuw gevormde Revolutionair-Socialistische Vrouwenbond die de CPN en het Nationaal Arbeids-Secretariaat in samenwerking hadden opgericht. De Vrouwenbond werd geen succes maar het verdwijnen ervan betreurde zij later toen de door de CPN begin jaren dertig doorgevoerde Vrouwen-strijdcomités en de in 1933 door de Komintern voorgeschreven gedelegeerden-vergaderingen niet erg levensvatbaar bleken. Al manifesteerde zij zich in de jaren twintig vooral als partijvrouw, in de Jordaan onderscheidde zij zich ook door meer dan de meeste buurtgenoten, lezend en kamperend, een verhouding aan te gaan met literatuur en natuur. Deze fase in haar leven bereikte een hoogtepunt toen zij werd afgevaardigd naar het achtste Wereldcongres van de Internationale Arbeidershulp (IAH) in Berlijn in 1931 en daar werd gekozen tot lid van een vrouwendelegatie voor een bezoek aan de Sovjet-Unie. Ook in de jaren dertig bleef zij partijpolitiek actief. Zij organiseerde zogenoemde vrouwencomités ter ondersteuning van stakende arbeiders of vissers, nam deel aan het Jordaanoproer van 1934, de Internationale Roode Hulp en het Wereld-Vrouwen-comité tegen Oorlog en Fascisme. LITERATUUR: H. Ankersmit in: De Tribune, 23.1.1935; De Waarheid, 20.1.1950, 22.10.1953; 'Berta de Vries overleden' in: De Brug, nr. 15, mei 1959, 6; W. Gortzak in: Het Parool, 19.1.1991. PORTRET: L. de Hondt, particulier bezit Auteur: Wouter Gortzak Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 5 (1992), p. 114-117 |