![]() |
ODINOT, Maria Elisabeth (roepnaam: Rie; bekend als Rie Lips of Lips-Odinot), voorzitster Nederlandse Vrouwen Beweging en Tweede Kamerlid voor de CPN, is geboren te Wijk bij Duurstede op 4 mei 1908 en overleden te Hilversum op 26 januari 1998. Zij was de dochter van Johannes Marinus Odinot, timmerman en bouwkundig tekenaar, en Aaltje Clasina van Santen, boerendochter. Op 9 mei 1928 trad zij in het huwelijk met Jan Douwinus Nobbe, kantoorbediende, met wie zij een dochter en een zoon kreeg. Nadat Nobbe op 7 september 1942 in het concentratiekamp te Dachau was omgekomen, hertrouwde zij op 6 oktober 1948 met Johannes Servaas Lips, kleermaker. Odinot was de tweede van vier meisjes in een Nederlands hervormd gezin. Zij liet het geloof los na wrijving met de dominee en liet haar kinderen, ondanks pressie, niet dopen. Na in Hilversum, waarheen het gezin was verhuisd, de lagere school en huishoudschool te hebben doorlopen, werkte ze een tijdlang als kinderverzorgster. Ze trouwde toen ze twintig was en kreeg haar kinderen met 21 en 24. Tijdens de crisis van de jaren dertig kwam haar man zonder baan. Hij kreeg geen vast werk meer en werkte in de werkverschaffing bij de aanleg van het park Anna Hoeve. Odinot hoorde haar vader vol bewondering spreken over de communist Georgi Dimitrof, die zich voor het gerecht in Berlijn moedig verdedigde tegen de nationaal-socialistische aantijging van betrokkenheid bij de Rijksdagbrand. Kort daarna trof ze op straat een vrouw die met anti-fascistische lectuur colporteerde. Dit wekte haar interesse voor de politiek. In 1933 sloot zij zich aan bij de Vrouwenbond van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en bij die partij. Ze werd tevens lid van het Wereldvrouwencomité tegen Oorlog en Fascisme, nadat ze op een vergadering van deze organisatie de voorzitster Lie Heijnen had horen spreken. Nettie Severijn, een vrouw uit Hilversum die zich veel met arbeidersscholing bezig hield, vroeg Odinot om in de RAI in Amsterdam het woord te voeren op een door verschillende organisaties belegde vergadering tegen het Duitse fascisme. Het was haar eerste optreden in het openbaar. Zij nam actief deel aan tijdens de Spaanse burgeroorlog functionerende comité's Hulp aan Spanje. Er werd geld en kleding ingezameld en vrouwen breiden truien. Samen met de vrouw van Arie Pleijsier, die aan de VARA-omroep verbonden was, werd zij bij Koos Vorrink op het matje geroepen, die vreesde dat zij met hun hulp aan Spanje in communistisch vaarwater waren gekomen. Toen Odinot dit werk niet staakte, werd de SDAP-contributie na verloop van tijd niet meer opgehaald en was zij in feite geroyeerd. Odinot was in 1939 Heijnen opgevolgd als voorzitster van het Wereldvrouwencomité. Het hoofdbestuur vergaderde op 9 mei 1940 voor het laatst. Het bureau op de Prinsengracht in Amsterdam werd op last van de Duitse bezetter verzegeld, waarbij Odinot met Rie Kogenhop-Huig aanwezig was. In de eerste tijd van de bezetting verleende Odinot onderdak aan Duitse emigranten, hielp zij joden en verspreidde zij illegale lectuur. Op 25 juni 1941 werden zij en haar man gearresteerd en overgebracht naar het interneringskamp Schoorl. Odinot kreeg een 'Schutzhaftbefehl', waarin stond dat zij verdacht werd van 'kommunistische Betätigung'. Communiste was ze nog niet en haar man was zelfs nooit lid geweest van een politieke partij. Hij steunde haar, paste veel op de kinderen en speelde viool. Odinot zag haar man in Schoorl voor het laatst, waarna hij via Amersfoort en Neuengamme in het concentratiekamp Dachau kwam, dat hij niet overleefde. Vanuit Schoorl ging Odinot eerst op transport naar de gevangenis in Amsterdam en vandaar met acht andere vrouwen naar gevangenissen in Düsseldorf, Hannover, Hamburg en Bremen. Tenslotte kwamen ze in het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück ten noorden van Berlijn. In Hannover had de groep het geluk Orlie Reichert te ontmoeten, die in Trier de leidster van de communistische jeugdorganisatie was geweest. Na een gevangenisstraf van vijf jaar te hebben uitgezeten, kwam Reichert niet vrij maar werd in Ravensbrück opgesloten. Ze had in Luxemburg moeten getuigen en was op de terugweg naar Ravensbrück. Zij vertelde de Nederlandse groep wat hun te wachten stond en hoe het mogelijk was te overleven. Dankzij Reichert kwamen Odinot en de anderen in een barak met vrijwel uitsluitend politieke gevangenen. Odinot kwam te werken in de 'Nähstube' (naaikamer) en na een jaar in een klein buitenkamp, waar de vrouwen landarbeid moesten verrichten. Op 1 mei 1945 bracht het Rode Leger de bevrijding. De vrouwen keerden in soldatenkleding terug naar Nederland, waar Odinot haar zoontje Hans direct herkende maar haar dochter Ria, die in die vier jaar van kind een jong meisje was geworden, niet meer. LITERATUUR: A.A. de Jonge, Het communisme in Nederland (Den Haag 1972); N. Lucas, A. Mul, 'Dat links nog steeds zo verdeeld is, daar schuilt een enorm gevaar in!' in: Rooie Vrouw, 5.4.1983; D. Breur, Een verborgen herinnering (Amsterdam 1983); D. Breur, 'Rie Lips-Odinot' in: M. Bouhuys e.a., Vrouw in verzet - toen en nu (Amsterdam 1985) 171-8; A. Scherphuis, 'Rie Lips-Odinot over haar rol in de Nederlandse Vrouwenbeweging en in de CPN' in: Vrij Nederland, 15.9.1990; J. Withuis, Opoffering en Heroiek. De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland, 1946-1976 (Meppel 1990); G. Verrips, Dwars, duivels en dromend (Amsterdam 1995); P. Arnoldussen, 'Strijdbaar, maar ook wat naïef. Rie Lips-Odinot 1908-1998' in: Het Parool, 3.2.1998; J.W. Stutje, De man die de weg wees (Amsterdam 2000). PORTRET: Maria Elisabeth Odinot, IISG Auteur: Geert van der Molen, Ger Harmsen Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 8 (2001), p. 181-183 |