![]() |
REDELÉ, Eduard Charles Philippus (roepnaam: Eduard), katholiek-socialistisch publicist en fabrikant, is geboren te Woensel op 3 oktober 1866 en overleden te Rijsenburg (U.) op 2 oktober 1913. Hij was de zoon van Charles Joseph Eduard Redelé, zeepfabrikant, en Marie Julie Elise Nijpels. Op 9 november 1905 trad hij in het huwelijk met Elizabeth Anna van der Hoeven. Dit huwelijk bleef kinderloos. Over de jeugd van Redelé is niet veel bekend. Van 1881 tot 1884 was hij, evenals zijn oudere broer Louis, leerling op de rooms-katholieke kostschool Rolduc in Kerkrade. Als achttienjarige maakte hij volgens eigen zeggen kennis met de latere Belgische socialistische leider E. Vandervelde, die grote indruk op hem maakte. Na zijn jaren op Rolduc volgde Redelé een onderwijzersopleiding. Niet bekend is of hij ook in het onderwijs heeft gewerkt. Hij had veel belangstelling voor kunst engeschiedenis. Ook schreef hij gedichten. Omstreeks 1891 bracht Redelé enkele bezoeken aan F. van Eeden, die in hem een talentvolle jongeman zag: 'iemand die worden kan van de kracht tusschen Winkler Prins en Jacques Perk in'. Na het overlijden van zijn vader in 1892 nam Redelé samen met zijn broer Louis diens zeepfabriek in Eindhoven over. Voor de literatuur had hij nu geen tijd meer. Het contact met Van Eeden was intussen beëindigd nadat Redelé in de controverse tussen Van Eeden en W. Kloos de zijde van de laatste had gekozen. Wel correspondeerde hij nog met Albert Verwey over publikaties in De Nieuwe Gids en het Tweemaandelijks Tijdschrift. Deze gingen echter niet door. Op literair gebied liet Redelé daarna alleen nog op lokaal niveau van zich horen. Tegen het eind van de jaren negentig werd Redelé actief voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In Eindhoven waren enkele neutrale organisaties aan het ontstaan, die door de rooms-katholieken werden bestreden. Redelé hield in de Meierijsche Courant vurige pleidooien voor tolerantie. Hij nam de pen op tegen conservatieven als A.I.M.J. baron van Wijnbergen en de augustijner priester A. Claessen. Hij schreef ook tegen het uitsluiten van joodse leden van het lidmaatschap van de vereniging Eindhoven Vooruit, die in 1899 was opgericht door vooruitstrevende fabrikanten, onder wie Louis Redelé en G. Philips (een ver familielid van de Redelé's). In het bestuur van Eindhoven Vooruit werd ook een arbeider opgenomen: de sigarenkistjesmaker H. Rooijmans, voorzitter van Werkliedenvereeniging 'De Eendracht'. In maart 1899 verscheen het eerste nummer van het maandblad Eindhoven Vooruit, waarin artikelen stonden over economische aangelegenheden maar ook over drankbestrijding, gedwongen winkelnering en De Eendracht. Hoewel geen lid van de redactie werd Redelé de drijvende kracht achter het vooruitstrevende blad. In juni 1899 begon hij met een anonieme vervolgrubriek 'Brieven aan Godefriedus Janssens, kruidenier te Eindhoven', waarin hij de sociale kwestie en het socialisme op bevattelijke wijze uiteenzette. Na verloop van tijd kwamen boze reacties van verschillende fabrikanten. Toen Redelé in de negende aflevering wilde aantonen dat verbetering van het lot van de arbeidende klasse noodzakelijk was en daarvoor K. Marx citeerde, beëindigde de redactie de serie. Ondanks deze tegenwerking bleef Redelé Eindhoven Vooruit ondersteunen en de conservatieven met zijn scherpe pen bestrijden. Hij nam het onder meer op voor de in Eindhoven zeer actieve socialisten Rooijmans en M. van de Ven, die in 1897 de neutrale Christelijke Werkliedenvereeniging 'De Eendracht' hadden opgericht, waarvan de activiteiten door de plaatselijke katholieke pers steeds meer werden doodgezwegen. Toen de redactie ook tegen Redelé's artikelen hierover bezwaar ging maken, begonnen de Eindhovense socialisten in 1900 onder Redelé's leiding een eigen blad, De Eendracht. Orgaan van de Christelijke Werkliedenvereeniging 'De Eendracht' te Eindhoven. Redelé werd niet alleen de verantwoordelijke redacteur maar ook de belangrijkste schrijver in het blad en de grootste geldschieter. De Eendracht werd in het begin in een oplage van ongeveer 250 in Groningen gedrukt, omdat men in Brabant geen drukker kon vinden die dat aandurfde. Met De Eendracht wilde Redelé bijdragen aan de totstandkoming van 'het heerlijk einddoel': 'Wij weten dat de bevrijding eenmaal komen zal voor het volk der arbeiders'. Redelé was ervan overtuigd dat het samengaan van katholicisme en socialisme daartoe een mogelijkheid bood: 'Wij zullen bewijzen dat wij, van welke zijde hier ook bestreden, niet anti-christelijk zijn, maar dat onze daden en beginselen de eenig christelijke en voor een christen de eenig geoorloofde zijn'. Redelé en zijn medestrijders van De Eendracht zagen zich als christen-socialisten en probeerden aan de lezers duidelijk te maken dat het socialisme van het Eindhovense blad niet in strijd was met de pauselijke encycliek Rerum Novarum. De katholieke geestelijken van Eindhoven echter adviseerden 'genoemde courant zoveel mogelijk te weeren, en zij die zulk een courant lezen het idmaatschap in Bond en Heilige Familie en brave vereenigingen te ontzeggen'. Tot excommunicatie van katholieken die zich niet aan dit advies hielden kwam het pas in 1908. Vanaf april 1901 zette Redelé in De Eendracht zijn eerder in Eindhoven Vooruit afgebroken serie 'Brieven aan Godefriedus Janssens' voort. Tot augustus 1904 verschenen onder deze titel veertig afleveringen, waarin Redelé zijn literair talent gebruikte om allerlei zaken aanschouwelijk te maken. Van november 1902 tot maart 1905 verscheen in 25 afleveringen nog een andere vervolgserie van de hand van Redelé: 'Godsdienst en socialisme', waarin hij opnieuw duidelijk wilde maken dat er geen principiële tegenstelling bestond tussen christendom en socialisme. In deze serie werd ook gereageerd op de actualiteit. Zo nam hij de Bredase priester J.A.H. van den Brink, die vanwege zijn lidmaatschap van de SDAP werd ontslagen als priester, in bescherming. Ook landelijk mengde Redelé zich in de discussie over religie en socialisme, die onder meer in De Nieuwe Tijd werd gevoerd. Volgens de marxistische theoretici binnen de SDAP waren godsdienst en socialisme onverenigbaar. In december 1902 probeerde Redelé met zijn artikel 'Van een ander standpunt' een lans te breken voor zijn 'niet-materialistisch socialisme'. Zijn bijdrage werd gepubliceerd met de redactionele toevoeging dat men het met Redelé's beschouwing niet eens was. Het was het begin van een langdurige polemiek in De Nieuwe Tijd, waarbij Redelé van repliek gediend werd door A. Pannekoek. Deze stelde dat verwerping van het historisch materialisme alleen kon voortkomen uit onkunde en klassevooroordeel. Aan de hand van enkele citaten uit Marx' Das Kapital probeerde Pannekoek aan te tonen dat mensen als Redelé dwaalden wanneer zij de ethiek wilden loskoppelen van het economisch socialisme. Redelé reageerde daar weer op met een poging te laten zien dat het socialisme niet per se verbonden behoefde te zijn met het materialisme. Een ideële leer samen met de socialistische economie kon volgens hem even goed een afgeronde en logische levensopvatting zijn. Bovendien stelde hij vast dat diverse leidende figuren in de SDAP ook geen historisch-materialist waren. Redelé ontkende niet dat de normen en ideeën van mensen nauw samenhingen met de produktiewijze, maar hij zag daarin nog geen bewijs voor het historisch materialisme. Hij concludeerde dat godsdienst en socialisme konden samengaan 'daar hun moraal in den grond één is'. Pannekoek echter zag Redelé's opvattingen als 'een strijd tegen het Marxisme'. Hij constateerde dat Redelé een andere levensbeschouwing dan het marxisme ontwikkelde: een samengaan van 'idealistische, bepaaldelijk christelijke opvattingen en socialistisch doel'. In 'Een slotwoord' keerde Redelé terug naar wat volgens hem de kernvraag was: konden door de leer van Marx de geschiedenis en het socialisme verklaard worden? Hij plaatste vraagtekens bij het materialisme als vaststaande waarheid en was van mening dat erkenning van het socialisme even goed of misschien nog beter vanuit het idealistische standpunt kon gebeuren. De redactie van De Nieuwe Tijd beëindigde de polemiek en weigerde verdere bijdragen van Redelé, net als De Kroniek van P.L. Tak. In 1903 had hij daar artikelen over A. Jolles en H. Gorter en over 'Het Materialisme' heen gezonden, waarin hij wees op de gemeenschappelijke belangen van werkgevers en werknemers en twijfel plaatste bij de marxistische opvatting dat de klassenstrijd noodzakelijk was voor de totstandkoming van een socialistische maatschappij. Hij vond het zeer wel denkbaar dat de arbeiders op den duur 'door een sterkere organisatie het hun toekomende deel van de welvaart zouden veroveren en ten laatste een toestand scheppen, die standvastig schommelt om het evenwichtspunt der beiderzijds behoorlijk behartigde belangen'. ARCHIEF: Dossier familie Redelé in Streekarchief Regio Eindhoven (Eindhoven). PUBLIKATIES: 'De waarheid aangaande Noord-Brabant' in: De Nieuwe Tijd, 5 (1900), 46-51; 'Van een ander standpunt' in: De Nieuwe Tijd, 7 (1902), 741-752; 'Een moderner standpunt' in: De Nieuwe Tijd, 8 (1903), 278-291; 'Een slotwoord' in: De Nieuwe Tijd, 8 (1903), 576-581; De nieuwe beurs te Amsterdam en de proletariërs (Eindhoven 1902). LITERATUUR: M. van de Ven, 'In memoriam Eduard Redelé' in: Het Volk, 6.10.1913; H.M.T.M. Giebels, Katholicisme en socialisme. Het zelfbeeld van de Eindhovense christen-socialisten in het spanningsveld tussen traditie en moderniteit, 1885-1920 (Tilburg 1994). PORTRET: Eduard Charles Philippus Redelé (ca. 1890), particuliere collectie Auteur: Henk Giebels Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 7 (1998), p. 177-181 Laatst gewijzigd: 10-02-2003 |