![]() |
TERWEY, Jan Pieter (roepnaam: Jan), christen-anarchistisch dienstweigeraar, is geboren te Amsterdam op 11 oktober 1883 en overleden te Dotzigen (Zwitserland) op 18 maart 1965. Hij was de zoon van Tijs Terwey, leraar aan de kweekschool voor onderwijzers, en Geertruida Kater. Op 29 mei 1907 ging hij een vrij huwelijk aan met Maria Jeanette Adrienne ('Mies') van Rees. Op 19 mei 1913 verliet hij haar en vertrok naar Zwitserland. Daar trad Terwey omstreeks 1917 in het huwelijk met Hanna Rosina Rauber, met wie hij een dochter en twee zonen kreeg. De vader van Terwey was de in onderwijskringen bekende Tijs Terwey, met E.J. Potgieter toen een van de weinige kenners en vertalers van Scandinavische literatuur. Jan Terwey verloor zijn vader op tienjarige leeftijd en werd door zijn zachtmoedige moeder opgevoed in een zeer vrijzinnig-godsdienstig milieu. Hij trad op zestienjarige leeftijd toe tot de doopsgezinde gemeente, na een eigenhandig geformuleerde en geschreven belijdenis. Vanaf 1897 volgde Terwey op de Quellinusschool de opleiding tot lithograaf. De middelbare school-kennis maakte hij zich eigen via privaatlessen. In 1900 vervolgde hij zijn opleiding aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, waar hij in 1901 afstudeerde. Daarna studeerde hij nog een jaar aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid. Hij las in deze tijd veel over socialisme en anarchisme en werd vegetariër. Voordat Terwey ging schilderen, moest hij in militaire dienst. In eerste instantie had hij geen bedenkingen daartegen, maar toen hij naar eigen zeggen als vegetariër een militaire voorraad vlees moest bewaken, drong de zinloosheid van het militarisme tot hem door. Hij kwam in contact met een groepje jongelui onder leiding van Edo Fimmen, die vanuit hun christendom via vegetarisme, geheelonthouding, anti-vivisectie en Rein Leven de wereld wilden verbeteren. Terwey ging tijdens zijn zomerverlof in het Gooi schilderen. Daar ontmoette hij de schilder Otto van Rees, zoon van de christen-anarchist professor J. van Rees. Deze nam hem onder zijn hoede en introduceerde hem in de christen-anarchistische kolonie te Blaricum. Terwey kwam onder hun invloed en wilde in Amsterdam een christen-anarchistisch blad beginnen. In november 1903 weigerde hij dienst 'omdat ik in mij voel, dat soldaat-zijn strijdt tegen Heiligheid en Liefde'. Hij werd in het Haarlemse Huis van Bewaring opgesloten. Daarop reageerden de christen-anarchisten door via het Landelijk Comité Zaak-Terwey actie tot zijn vrijlating te voeren. Het comité verspreidde vlugschriften, zamelde handtekeningen en geld in en hield tal van bijeenkomsten. In maart 1904 werd Terwey na enkele maanden gevangenisstraf uit militaire dienst ontslagen. Hij schreef na zijn vrijlating direct in het christen-anarchistische Tegen leugen en geweld een antimilitaristisch stuk voor de lotelingen. Terwey's daad trok ook de aandacht van Leo Tolstoi, die op 27 juni 1904 in The Times schreef dat niet het socialisme als stroming de vrede zou brengen maar het handelen van eenvoudige lieden zoals Terwey. ARCHIEF: Map en collectie (schilderijen, tekeningen) J.P. Terwey in Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (Den Haag). PUBLIKATIES: Een stem uit de gevangenis. De christenen als oorlogsbarbaren door den dienstweigeraar Jan Terwey. Gevolgd door een brief aan zijn vrienden (z.pl. z.j.); Protest tegen de gevangenhouding van den dienstweigeraar Arie Tazelaar (Amersfoort 1905); D.L. Daalder, Hoe de kaboutertjes en de reuzen ontstaan zijn: eene vertelling over de wording der aarde met wat er op is met penteekeningen van Jan Terwey (Amsterdam 1909); Mozaik. Verzen (Blaricum 1912); C. Bruijn, De oorlog: vertellingen voor oudere kinderen met penteekeningen van Jan Terwey (Amsterdam z.j.). LITERATUUR: J. van Rees, Open brief aan den Weled. Hooggel. Heer Dr. A. Kuyper Oud-Hoogleraar van de Vrije Univ. te Amsterdam, naar aanleiding van de dienstweigering van Jan P. Terwey (Amersfoort 1903); F. Ortt, Manifest van het Landelijk Comité Zaak-Terwey Waar 't omgaat en wat onze plicht is (z.pl. z.j); F. Ortt, Twee slachtoffers van gewetensdrang (z.pl. 1904); 'Een dienstweigeraar' in: De Vrije Gedachte, 2.1.1904; F. van der Goes, 'De zaak Terwey' in: De Nieuwe Tijd, 1904, 145-148; J. Giesen, Nieuwe geschiedenis. Het antimilitarisme van de daad in Nederland (Rotterdam 1923) 13-14; R. Jans, Tolstoj in Nederland (Bussum 1952); G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Assen 1961); P.A. Scheen, Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950 (Den Haag 1970) 433-434; M. Bruijn, De man achter Sil. Over Cor P. Bruijn als idealist, onderwijspionier en schrijver, 1883-1978 (Den Haag 1984); G. Termeer (red.), Dienstweigeraars (Amsterdam 1984) 21-30; H. Balk, 'Het publiek van H.P. Bremmer' in: Jong Holland, 1993, nr. 2; P.M.J. Jacobs, Beeldend Nederland. Biografisch handboek L-Z (Tilburg 1993) 462; L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1800-1920 (Amsterdam 1994) 60, 74, 86, 89, 90, 121, 134, 153, 154, 156. PORTRET: Jan Pieter Terwey (tekening van Verax uit Geďllustreerd Zondagsblad van het Volksdagblad, 27.3.1904), IISG Auteur: Jannes Houkes Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 7 (1998), p. 223-226 Laatst gewijzigd: 13-02-2003 |