Geschiedenis van de Akademiebibliotheek
Jacob van Lennep (1802-1868): een beknopte biografie
Frans van der Kolff
Op 24 maart 1802 werd Jacob van Lennep in Amsterdam geboren. Zijn ouders waren David Jacob van Lennep (1774-1853), hoogleraar in de klassieke talen en geschiedenis aan het Athenaeum Illustre en bibliothecaris van het Koninklijk Instituut, de voorloper van de Akademie, en Cornelia Christina van Orsoy (1778-1816).
Vanaf zijn vijfde jaar genoot hij onderwijs; van 1814 tot 1819 bezocht hij de Latijnse School. Daarna liet hij zich aan het Athenaeum Illustre inschrijven als rechtenstudent; in1820 meldde hij zich in Leiden bij dezelfde studierichting aan. In zijn studietijd ontmoette hij in Leiden, waar de examens moesten worden afgelegd, de dichter en jurist Willem Bilderdijk (1756-1831). Bilderdijk had grote invloed op Van Lennep's gedachtenwereld. In Leiden leerde hij ook de schrijver Isaäc da Costa (1798-1860) en de latere staatsman Dirk van Hogendorp (1761-1822) kennen. Met beiden raakte hij bevriend.
In 1824 promoveerde Jacob van Lennep te Leiden in de rechtsgeleerdheid. In datzelfde jaar trouwde hij met jonkvrouwe Henrietta Sophia Wilhelmina Röell (1792-1870), dochter van de Minister van Staat baron Willem Frederik Röell (1767-1835). In het begin van zijn huwelijk had Jacob van Lennep geen werk en daardoor alle tijd om zich aan het schrijven te wijden. In het door hem in 1826 opgerichte weekblad De Naprater uitte hij kritiek op alles in de maatschappij wat hem dwaas voorkwam. Het tijdschrift bestond slechts één jaar. Meer succes had Van Lennep met de uitgave, in 1826, van zijn aan Bilderdijk opgedragen dichtbundel Academische Idyllen.
In oktober 1826 werd Jacob van Lennep waarnemend rijksadvocaat, in 1828 volgde zijn bevordering tot adjunct rijksadvocaat en in 1829 tot rijksadvocaat in Amsterdam. In deze functie, die hij tot zijn dood bekleedde, behandelde hij voornamelijk fiscale en financiële zaken. Ook in 1826 werd Jacob van Lennep secretaris van de Curatoren van het Athenaeum Illustre en van 1827 tot 1851 was hij secretaris van de Provinciale Commissie van Landbouw in Noord-Holland. Deze laatstgenoemde functie omvatte onder meer het keuren van vee en bracht, als bijzonder emolument, jaarlijks een boottochtje op het koninklijk jacht met zich mee.
In 1828 en 1829 was Jacob van Lennep redacteur van het weekblad De Nederlandsche Mercurius. Voor dit tijdschrift schreef hij opstellen, recensies, toneelnieuws en verschillende losse stukken. Ook in 1828 verscheen het eerste deel van zijn succesvolle Nederlandsche legenden.
Jacob van Lennep huurde vanaf 1832 de buitenplaats Woestduin, gelegen in de buurt van Haarlem. Tot 1845 bracht hij daar de zomer en herfst met zijn gezin door. Op Woestduin ontving hij vaak een groep Leidse studenten, waartoe Aart en Willem Veder en de latere 'Schoolmeester' Gerrit van de Linde behoorden. Met deze drie onderhield hij een regelmatige correspondentie.
In 1832 werd Jacob van Lennep vrijmetselaar. Jacob van Lennep was vrijmetselaar vanuit volle overtuiging. Naast verschillende functies in de organisatie verrichte hij onderzoek naar de geschiedenis en de organisatie van de beweging.
In 1833 verscheen de al in 1828 door Van Lennep geschreven historische roman De Pleegzoon, die zich afspeelt in de tijd van prins Maurits. Deze roman werd nog gevolgd door andere, ten tijd van verschijnen soms zeer populaire historische romans. We noemen De Roos van Dekama (1836), een verhaal uit de middeleeuwen, De lotgevallen van Ferdinand Huyck(1840), dat algemeen als zijn meest succesvolle avonturenroman wordt beschouwd, Elizabeth Musch (1851) en de zedenschets De lotgevallen van Klaasje Zevenster (1866). Naast deze romans schreef Van Lennep onder meer: Onze voorouders in verschillende tafereelen geschetst (1838-1844, 5 dl.), Jacobaas weeklacht op het huis te Teylingen (1838), De voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland aan zijne kinderen verhaald (1845-1849, 4 dl.), Vermakelijke Geschiedenis des Vaderlands (1854), Het Leven van Mr. Cornelis en Mr. David Jacob van Lennep (1861-1862, 4 dl.) en De vermakelijke Spraakkunst (1865). In 1848 verscheen de eerste van achttien door Jacob van Lennep geredigeerde afleveringen van de almanak Holland. Naast de hiervoor genoemde titels schreef Van Lennep veel toneelstukken en geschiedkundige werken. Jacob van Lennep was in zijn tijd een veelgelezen schrijver. Zijn boeken worden gekenmerkt door een levendige verteltrant, spannende intrige en humor, ondanks het feit dat er op zijn stijl wel enkele aanmerkingen te maken zijn en zijn karakters niet altijd even goed uit de verf komen.
In 1839 werd Van Lennep voorgedragen voor het professoraat in de Nederlandse letteren en vaderlandse geschiedenis aan het Athenaeum Illustre. In een anonieme brief aan de Amsterdamse gemeenteraad werd hij echter in een ongunstig daglicht gesteld. Met name Van Lennep's affaire met zijn minnares Doortje Ringeling werd daarbij breed uitgemeten. Het professoraat ging aan hem voorbij.
Tussen 1853 en 1856 was Van Lennep ook politiek actief. Hij werd lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en van de Tweede Kamer voor de conservatieven. Ook op maatschappelijk gebied speelde Jacob van Lennep een rol. Hij vatte het idee op een waterleiding vanuit de duinen bij Haarlem naar Amsterdam aan te leggen om zo iets te kunnen doen aan de slechte kwaliteit van het drinkwater in de hoofdstad. Deze waterleiding kwam in het begin van de jaren vijftig tot stand. In later jaren speelde Jacob van Lennep een rol bij de totstandkoming van het Noordzeekanaal.
In 1834 steunde hij de dichter Gerrit van de Linde toen deze, in een onmogelijke positie geraakt vanwege schulden en ongelukkige verhoudingen, naar Engeland moest uitwijken. In 1858 bezorgde Jacob van Lennep ten behoeve van Gerrits nabestaanden een uitgave van diens Gedichten van den Schoolmeester. Omstreeks 1860 was hij betrokken bij de publicatie van de Max Havelaar.
Jacob van Lennep was een groot bewonderaar van Vondel. Tussen 1855 en 1869 bezorgde hij een twaalfdelige Vondeluitgave.
Jacob van Lennep, dat blijkt wel uit deze korte biografische schets, was een man met een veelzijdige interesse. Onder meer kwam deze tot uiting in de lidmaatschappen van vele verenigingen die hij bekleedde. We noemen de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1829), het Koninklijk Instituut voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten, de voorloper van de Akademie (1832), de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten (1838), het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap in Amsterdam (1858) en de Hollandse Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen (1859).
Jacob van Lennep overleed op 25 augustus 1868 in Oosterbeek.
De Collectie Jacob van Lennep in de Akademiebibliotheek omvat een vrijwel complete collectie van Van Lenneps oeuvre, in 1881 door Petrus Knoll aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen gelegateerd.
Voor meer informatie over Jacob van Lennep wordt verwezen naar:
Het leven van Mr. Jacob van Lennep / door M.F. van Lennep.- Amsterdam: Van Kampen, 1909.- 2 dl.
In dl. 2 is een bibliografie van de werken van Jacob van Lennep opgenomen.