Bijzondere werken belicht
Leydens ramp
Frans van der Kolff
Het Leiden van omstreeks 1800 was een kleine, stille stad, die een groot contrast vormde met het bloeiende centrum van textielnijverheid van weleer. In de zeventiende eeuw mocht Leiden zich zelfs enige tijd de tweede stad van het land noemen. Tussen ca. 1650-1800 halveerde het inwonersaantal (tot 28.000 in 1815). Het aantal armen binnen de stadsgrenzen bleef voortdurend stijgen. Het economische leven kenmerkte zich door langdurige stagnatie en achteruitgang.
De ramp
Op 12 januari 1807 werd Leiden getroffen door een grote ramp. Een houten schip, volgestopt met 37.000 pond buskruit, was tegen alle regels in midden in de stad aan een kade afgemeerd. Het schip ontplofte en vaagde honderden huizen aan het Rapenburg weg. Er vielen 151 doden en ca. 2000 gewonden. Reeds in de nacht van de ramp (13 januari) bezocht koning Lodewijk Napoleon het getroffen gebied en sprak hij met slachtoffers en hulpverleners.
Om de gebeurtenis te memoreren bestelde Lodewijk Napoleon bij de schilder Carel Lodewijk Hansen (1765-1840) een schilderij van de plaats van de ramp (waarop ook zijn bezoek bescheiden stond afgebeeld). Op het schilderij is duidelijk te zien welk een enorm gat de ontploffing in de stad had geslagen.
Matthijs Siegenbeek (1774-1854), letterkundige en hoogleraar in de 'vaderlandse taal en welsprekendheid', beschrijft in zijn 'historisch tafereel' in Leydens ramp (1808) de ontploffing tot in de kleinste details: "Het buskruid, in het niets kwaad voorspellend vaartuig heimelijk verborgen, vatte door eene onbekende en waarschijnlijk nimmer te ontdekken oorzaak, maar gewisselijk door een verregaande roekeloosheid, althans gedeeltelijk, vuur, barstte met een bliksemend licht, gevolgd door een' doffen, knallenden donderslag, en door eene dikke, breede, hoog opstijgende en stikdonkere wolk van rook, welke alles in de rondte als met doodschaduwen overdekte, los, deed het vaartuig met al, wat op hetzelve was, in spaanders en flenteren in de lucht vliegen, joeg in den omtrek het hevig beroerde water op een' merkelijken afstand ter grachten uit, verbrijzelde een deel der wallen en der leningen der naastbijzijnde bruggen, scheurde de boomen van hunnen wortel af, deed de naastgelegene gebouwen op hunnen grondvesten waggelen en met een ontzettend gekraak, geheel of gedeeltelijk, op de hoofden hunner, door den schrik des jongsten dags bemagtigte, bewoneren instorten ..."
De ontploffing maakte grote indruk in Nederland. Over het onderwerp verschenen meer dan vijftig geschriften, waarin de ramp van allerlei kanten werd belicht. In het hele land werden inzamelingen gehouden voor slachtoffers en nabestaanden. In de stad zelf plaatste men "gesloten kisten, waarin ieder zijne bijdrage tot leniging van den nood kan storten". Er ontstond bovendien een heftige polemiek, toen de geestelijkheid zich met de ramp ging bemoeien. Zo verschenen er geschriften met veelzeggende titels als Opwekking tot opmerkzaamheid op 's Heeren geduchte daden, door predikant F. Ham te Hilversum. Hierop kwamen reacties in de vorm van pamfletten als Leidens ramp geene Godsstraf, waarin de geestelijkheid werd verweten "Leiden's onheil [nog te] verzwaren". Hierop werd vervolgens weer gereageerd met Zijn alle de christen-geestelijken Huichelaars?, door de Amsterdamse predikant D.C. van Voorst.
Ook goedbedoelde raadgevingen waren niet van de lucht. Ene J. Horsman weidde zestien pagina's lang uit over een "Gemaklijk, onfeilbaar en onkostbaar middel om het verzenden en vervoeren van Buskruid ten allen tijde voor alle mooglijke gevaren van ontspringen of losbranden te verzekeren, en daar door rampen gelyk die welke het ongelukkig Leyden in 't begin dezes jaars getroffen hebben voor altijd voor te komen." Ook werden gedichten en 'fraaije konstplaaten' vervaardigd.
In de stad zelf had het gemeentebestuur de handen vol aan de hulpverlening. In de weken na de ramp verscheen de ene na de andere 'notificatie' van de 'Heeren Wethouderen' en de inderhaast ingestelde 'Provisionele Commissie van Politie'. De titels van deze berichten geven een beeld van ontreddering en bereddering. De uitloving van een beloning van tien dukaten "voor ieder persoon, die van onder de puinhopen der ingestorte huizen levendig gered wordt"; berichten aan "onvermogende gekwetsten over het gratis verkrijgen van geneesmiddelen" en "het verschaffen van levensmiddelen aan behoeftigen" spreken voor zich, net als het verbod op het "woekeren omtrent huis- of kamerhuren". De Provisionele Commissie van politie ging ver in haar richtlijnen, getuige het verbod aan ieder "welke eenige handel of neering doet in koffij, thee, suiker, olij mitsgaders alle eetwaren" iets te verkopen "waarin glas zoude mogen zijn geraakt". In Leiden hernam, tegen het eind van januari, het leven (althans het commeriële deel daarvan) weer zijn normale loop. Op 27 januari verscheen een notificatie dat "niettegenstaande de aangerichte schade de fabrieken van lakens, dekens, enz. weder in staat zijn alle opdrachten uit te voeren".
Het herstel
Lodewijk Napoleon stelde een commissie in, die belast werd met het beoordelen van ontwerpen voor wederopbouw op de plek van de ramp. De commissie bestond uit de Brielse architect Johannes van Westenhout (1754-1823), de Franse hofarchitect Jean Thomas Thibault (1757-1826) en de Amsterdamse stadsarchitect Abraham van der Hart (1747-1820).
Het is intrigerend, maar helaas nog ononderzocht, hoe de beslissing van de commissie tot stand kwam. Deze besloot namelijk dat "geen van de ingezonden ontwerpen geschikt waren bevonden" en dat zij zelf met een voorstel zou komen. Dit ontwerp omvatte een nieuw academiegebouw en een gedenkteken. Het academiegebouw dat zij voor ogen hadden, was half rond van opzet, als een grote boog van zuilengalerijen, met klassieke pilasters in het centrum, en een symmetrisch uiterlijk met weinig tierlantijnen. Het ontwerp toont een grootse opzet. Wat er nog stond na de ramp werd afgebroken. Vele ontwerpschetsen van het drietal zijn bewaard gebleven.
Het ontwerp is nooit uitgevoerd. Er was geldgebrek en onenigheid over de plannen. Het 'gat van Leiden' zou pas in 1850 worden gevuld.
Geraadpleegde literatuur:
- Leydens ramp / door Willem Bilderdijk en Matthys Siegenbeek. - Amsterdam : Joh. Allart en Jac. Ruis, 1808
- Catalogus van de pamfletten-verzameling berustende in de Koninklijke Bibliotheek / bew. door W.P.C. Knuttel. - dl. 6, 1796-1830. 's-Gravenhage : F.J. Belinfante, 1910, p. 86-92
- Plan ter verbeeteringe ... : leven en werk van Johannes van Westenhout (1754-1823) / Mark van Hattem. - Den Briel : Historisch Museum Den Briel, 1997
- Leiden in gaslicht : een stad in verandering 1800-1900 / red. Ingrid W.L. Moerman en R.C.J. van Maanen. - Utrecht : Matrijs, 1989