IISG

Bijzondere werken belicht

Een Liedeken wil ick gaen singhen: een indruk van het Nederlandse Lied tot het jaar 1600

Martine de Bruin

Zomaar een liedje, bijgeschreven op een van de laatste bladen van een refreinboekje van Anna Bijns uit 1553. Er is tekst en muzieknotatie. Hoe dit precies in elkaar zit, is niet helemaal duidelijk. Immers, normaal gesproken staat de muziek boven een lied, terwijl zij hier helemaal onderaan staat. Een stukje van het blad is afgesneden, zodat melodie en tekst beide incompleet zijn. Toch gunt dit liedje ons een mooie kijk in de keuken van de Nederlandse liedpraktijk van de zestiende eeuw.

De eerste drie regels onder de muzieknoten luiden:

Acht nijet up skonijncks placcaet
Mer volcht altijt u eijgen raedt
dat dunct mij wesen het beste

[Richt u niet naar het plakkaat (de verordening / opdracht) van de koning / maar volg altijd uw eigen overtuiging / dat lijkt mij het beste te wezen]

Een liedje vol 'goede raad' en vermaning dus, zoals ook blijkt uit de rest van de tekst: 'den preekstoel draget uutet woldt / wantet waeyt daer veell to koldt', of 'In kerken en cloesters doet gewelt / [...] / Papen en monnijken altoes quelt' . Dat dit niet al te letterlijk moet worden genomen blijkt uit de zin 'Gaat totten heer van halffmall / hy sal u een schoyer geven // Een schoyer end een gues daer an' . De Heer van Halfmal is een zot; alles wat van hem afkomstig is, mag bespot worden. In dit geval zijn dat de geuzen. We hebben hier dus geen geuzenlied, maar juist een spotlied op de geuzen in handen. Dat past goed bij de vaak venijnige anti-protestantse refreinen van Anna Bijns, waarvan nog net een paar regels zichtbaar zijn. Ook een tweede liedje - door dezelfde onbekende scribent op de volgende pagina's genoteerd - is van hetzelfde laken een pak. Beide laten zien dat liederen gebruikt kunnen worden om een actuele situtatie te beschijven.

We bevinden ons in de roerige tijd van de beeldenstorm en de hagenpreken, toen er 'preekstoelen in het woud' te vinden waren en - kennelijk - het geweer (strofe 4, vers 1 'zyntroer' = zinkroer = geweer) nog wel eens ter hand genomen werd. Maar ook werd gebruik gemaakt van het wapen van het lied. Met het gezamenlijk zingen van een lied wordt het groepsgevoel en soms ook de moed bevorderd. En het geeft je een prachtige gelegenheid om de spot te drijven of om een harde aanklacht te formuleren, bijvoorbeeld door een net iets andere tekst te maken op een bekend lied van je opponent. Of door een vorm van ironie te gebruiken, zoals hierboven.

Repertorium

Dit lied heeft een plaatsje gevonden tussen de 7621 verschillende liedteksten met tienduizenden varianten en 1158 melodieën van het Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600. Aan het Meertens Instituut van de KNAW te Amsterdam en de Universiteit van Antwerpen (UFSIA) is acht jaar lang door in totaal 17 mensen aan de inventarisatie van alle oude Nederlandstalige liedjes gewerkt. In het in september 2001 verschenen Repertorium (boek en cd-rom) zijn al deze liedteksten en -melodieën en hun 787 bronnen (265 handschriften en 522 drukken) beschreven.

Het moeten er veel meer zijn geweest. Terwijl we de tekst en melodie zelf niet kennen, weten we namelijk van vele andere liedjes dat ze bestaan hebben, bijvoorbeeld als in dagboeken en reisverslagen staat opgetekend dat er werd gezongen. Niet alle liederen werden het waard bevonden om opgeschreven te worden en van alles dat wel degelijk werd genoteerd is een (groot?) deel verloren gegaan. Juist de populairste liedjes, die in het dagelijks leven werden gebruikt, zijn het minst overgeleverd. Enerzijds omdat ze niet werden genoteerd - want 'algemeen bekend'? - , anderzijds omdat ze verschenen in goedkope liedboekjes die niet werden bewaard. Dit geldt met name voor het allerlaatste deel van de beschreven periode, toen het drukken goedkoper werd.

Maar wat hebben we dan wel nog in handen? Voor de vroege periode - van 'Hebban olla vogala' tot het einde van de vijftiende eeuw - geldt dat er zowel geestelijke als wereldlijke liederen in veelal dure perkamenten handschriften werden opgetekend, vaak met verluchting. Vanaf het begin van de zestiende eeuw worden er meerdere papieren (goedkopere) gebruikershandschriften aangelegd en verschijnen de eerste drukken.

Pas in de loop van de zestiende eeuw - geruime tijd na de introductie van de drukpers - kwamen er steeds meer (goedkope) liedboekjes op de markt. Maar ook dan schrijven sommige mensen in een katerntje of een schrift hun verzameling liedjes op of over. Of ze beginnen een album amicorum, een voorloper van het poëziealbum, waarin hun vrienden geacht worden een versje of een liedje te noteren. De lieddrukken zijn voor het overgrote deel simpele, vrij kleine, dichtbedrukte boekjes. Ook wordt wel voor de (nog) goedkopere oplossing gekozen: een enkel blad met daarop een of meer liedjes. Deze liedbladen werden soms zelfs in stroken geknipt, zodat de liedjes per stuk verkocht konden worden. We weten dat deze blaadjes in een kleine oplage binnen een dag gedrukt én verkocht konden worden, zodat de verspreide teksten bijzonder actueel waren.

Muziek

Vaak bestaan de liedbronnen alleen uit tekst en is de muzieknotatie achterwege gebleven. Notenschrift was (en is) duur om af te beelden, en lang niet iedereen kon het lezen. Dat was ook niet nodig. De meeste teksten werden geschreven op de melodie van een bekend lied, zoals wij dat nu nog doen bij bruiloften en partijen.

Dit systeem, dat wordt aangeduid met de term 'contrafactuur', maakt het ons soms mogelijk om de melodieën van toen te achterhalen. Dat lukt echter niet altijd. Immers, wat toen een alom gezongen melodie was, is nu in de regel niet meer bekend. En al zou een melodie rechtstreeks via de mondelinge overlevering tot in de twintigste eeuw zijn doorgegeven, dan nog is het onwaarschijnlijk dat het precies dezelfde melodie gebleven is. Een ieder kan bewust of onbewust variëren in een deuntje, dit wordt dan weer door andere mensen geleerd etc. Soms wordt zelfs in de loop van de tijd de gehele melodie vervangen door een andere, vaak modernere: een zogenaamde omwijzing. In het Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600 is geprobeerd om van zoveel mogelijk liederen de melodie terug te vinden.

Met behulp van een databank werd onder meer bestudeerd naar welk ander lied de wijsaanduidingen verwijzen. Een wijsaanduiding kan een beginregel van een ander lied zijn, of een refrein, maar het kan ook een omschrijving van een ander lied zijn: 'op de wise van de 19e psalm', of 'op de wise van den neghen Soldaten, te Randenrayd ghevanghen'. Dit laatste blijkt een liedje te zijn dat is overgeleverd op een los liedblaadje. Het handelt over negen soldaten die op rooftocht gaan, maar gevangen worden genomen. Een meisje hoort dat haar geliefde gevangen zit en komt naar de gevangenis. Daar smeekt zij tevergeefs om zijn vrijlating. Zij geeft hem een wit hemd en hij geeft haar zijn roodgouden ring als blijk van trouw. Maar dat troost haar niet. De moraal van dit verhaal is een praktische: ga niet op rooftocht, want je ziet wat daar van komt. Een drama in een notendop dus. Kennelijk was dit een bekend verhaal en had de beoogde zanger van een volgend lied genoeg aan de wijsaanduiding 'van die 9 soldaten'.

Dat het achterhalen van dergelijke vaak cryptische omschrijvingen vaak niet gemakkelijk is, laat zich raden. Wat het zoeken eveneens bemoeilijkt, is dat ons idee van één tekst behorend bij één melodie' niet opgaat voor de zestiende eeuw en daarvoor. Boven een lied staan vaak meerdere wijsaanduidingen en een enkele keer worden deze gevolgd door een opmerking als 'of neem elke andere vierregelige melodie die u kent'.

Psalmen

Voor het bepalen van hoe die liedjes geklonken hebben in de zestiende eeuw zijn we afhankelijk van de muzieknotatie uit die tijd. Er zijn enkele liedbundels waarin wel (eenstemmige) muziek werd genoteerd. Een van de belangrijkste is de vroegste Nederlandstalige psalmberijming, die in 1540 in Antwerpen door Symon Cock werd uitgegeven onder de titel Souterliedekens (souter - psalter - psalm).

De auteur, waarschijnlijk de Utrechtse edelman Willem van Zuylen van Nyevelt, wilde met deze liedjes de jeugd eens wat beters te zingen geven dan de 'vleselijke', over seks, liefde, bedrog en moord handelende liedjes die hij in het dagelijks leven hoorde. Om de pil te vergulden schreef hij zijn psalmberijming op de melodie van die bekende liedjes; zo zette hij bijvoorbeeld psalm 39 (volgens de nummering van de Vulgaat) met de woorden 'Ick heb verwacht den Heere / Hy verhoorde mijn gheclach' op de wijs van 'Ick quam aen eenen dansse, daer menich schoon vrouken was' . De melodieën liet hij ook afdrukken en daarmee geven de Souterliedekens ons een prachtige mogelijkheid om vele andere liedjes die zonder muziek zijn overgeleverd op de bijpassende noten te zetten. Voor het Repertorium zijn al deze Souterliedekens ingezongen en opgenomen op cd-rom, zodat ze nu overal tot klinken kunnen worden gebracht.

Deze Souterliedekensbundel, die voor het eerst in 1540 door Symon Cock te Antwerpen werd gedrukt, is een van de meer populaire liedboeken uit de zestiende eeuw. 22 drukken van vòòr 1600 zijn overgeleverd en we weten dat er nog minstens tien meer moeten zijn geweest. Bovendien verschenen er enkele meerstemmige bewerkingen van deze psalmen, onder meer van de hand van Jacobus Clemens non Papa, gedrukt te Antwerpen in 1559 door Thielman Susato. Overigens hebben niet alle herdrukken muzieknotatie: in de bibliotheek van het Meertens Instituut bevindt zich, in bruikleen, een muziekloze herdruk van de Souterliedekens. Dit door Steven Joessen te Kampen in 1562 gedrukt werkje bevat alleen wijsaanduidingen. Joessen hoeft hiervoor geen principiële redenen gehad te hebben; waarschijnlijk had hij geen mogelijkheden om muziek af te drukken.

De Souterliedekens zijn de vroegste psalmberijmingen, maar er zouden er in de zestiende eeuw nog vele volgen. Johannes Utenhove, Petrus Datheen, Philips van Marnix van St. Aldegonde zijn drie bekende namen, maar ook mindere goden schreven een psalmberijming. Die van Petrus Datheen heeft de meeste verspreiding gekend. Na de eerste druk uit 1566 verschenen binnen de resterende 44 jaar van de zestiende eeuw nog ruim 80 drukken en werden zeer veel nieuwe liedjes gedicht op de melodieën ervan. Datheens psalmen werden pas in 1773 vervangen door een nieuwe berijming. Op een enkele plek wordt zijn berijming nu - anno 2002 - nog steeds gezongen.

Al met al kan de zestiende eeuw de eeuw van de psalmen genoemd worden. Hiernaast verschenen nog vele geestelijke liedbundels met devote, kerst- en schriftuurlijke liederen. Het beschikbaar komen van de boekdrukpers in combinatie met de sterk opkomende Reformatie - en later de Contra-reformatie - was de drijvende kracht hierachter. Het in die tijd - naast de psalmen - meest gedrukte liedboek verscheen maar liefst 20 maal onder de titel 'Veelderhande liedekens. Het gaat om een steeds uitdijende bundel schriftuurlijke (op de Bijbel gebaseerde) liederen, die in eerste instantie uit de gereformeerde, maar later vooral uit doopsgezinde kringen kwam.

Op het hoogtepunt bevat het boekje meer dan 300 liederen. Naast de obligate vermaanliederen vinden we ook de meest bloedstollende beschrijvingen van de lijdensweg, standvastigheid en dood van godsdienstmartelaars. Zo lezen we over een 'Broeder goet van natueren' te Vuren:

Met seven wreede slaghen
Heeft hy de doot ontfaen
Noch moestmen het hooft af saghen
Eer de martely was ghedaen
Al die dit sagen aen
Die werden al eenen traen
Hoe condy Godt verdraghen
Die uwen gheest dus wederstaen.

Sijn arme bevruchte vrouwe
Die maeckte groot misbaer
Sy sterf van grooten rouwe
En oock de vrucht met haer
Dit bitter lijden swaer
Mochtmen aenschouwen daer
O God ghy zijt getrouwe
Ghy wreecket wel hier naer.

[Met zeven wrede slagen / Heeft hij de dood ontvangen. / Alsnog moest men het hoofd afzagen / eer de martelarij klaar was. / Allen die dit zagen / die raakten in tranen. / Hoe kan u, God, verdragen / diegenen die uw geest zo weerstaan. Zijn arme zwangere vrouw / die maakte groot misbaar. / Zij stierf van grote rouw / en met haar ook het ongeboren kindje. / Dit bittere lijden zwaar / mocht men aanschouwen daar. / O God, gij zijt getrouw: / gij wreekt het wel hierna!]

Ook toen verkocht andermans ellende kennelijk al goed... Toch werd er met deze liederen duidelijk een hoger doel nagestreefd. De beschreven martelaars werden als exempel getoond aan de lezers en toehoorders en dat was niet zonder succes. Een beul verzucht op een gegeven moment dat met de executies meer kwaad dan goed werd gedaan, omdat het volk juist bewondering kreeg voor de moed en standvastigheid van de ter dood veroordeelden - en een afkeer van de uitvoerders.

Lange adem

Een van de meer succesvolle niet-protestante liedboekjes was het Suverlijck Boecxken. De eerste druk verscheen in 1508 en hiermee is het het oudst gedrukte liedboek in de Nederlanden. Het is dan nog een klein boekje met ongeveer 30 kerst- en nieuwjaarsliedjes. Het wordt in de loop van de eeuw een enkele maal vermeerderd en herdrukt. Pas tegen 1600 raakt het druktempo in een stroomversnelling: er verschijnen binnen een paar jaar minstens zes verschillende versies met een maximum van 98 liederen. Het boekje werd nog tot in de achttiende eeuw herdrukt: liedjes kunnen een lange adem hebben.

Er verschenen ook wereldlijke liedboeken als het Antwerps Liedboek (1544), maar deze zijn ver in de minderheid. Als we naar de 'handschriftelijke eeuwen' daarvoor kijken, dan slaat de balans minder door in de richting van het geestelijke lied. Historieliederen, amoureuze klaagliederen ('Egidius waar bestu bleven?') en andere minnelyriek nemen dan een belangrijker plaats in.

Één factor in de liedproductie van de zestiende eeuw is nog niet genoemd: de Opstand, het begin van wat wij nu de Tachtigjarige oorlog noemen. In het heetst van de strijd werd in beide kampen in liedvorm verslag gedaan van de oorlog, gescholden en bespot. Het hierboven genoemde liedje uit de refreinbundel van Anna Bijns liet al zien dat het er daarbij fel aan toe kon gaan. Uit het midden van de opstandelingen onder leiding van Willem van Oranje verscheen het Geuzenliedboek met daarin het nu bekendste lied uit de zestiende eeuw: het Wilhelmus.

Mw. drs. M.J. de Bruin was ten tijde van het schrijven van dit artikel junior onderzoeker ethnologie en medewerker applicaties bij het Meertens Instituut KNAW.

top