Bijzondere werken belicht
Joan Nieuhof: 'een groote lust verre en vreemde landen te bezien'
Frans van der Kolff
In dit artikel wordt een bijzonder werk uit de omvangrijke collectie reisverhalen en expeditieverslagen van de Akademiebibliotheek belicht: Het Gezantschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie, aan den grooten Tartarischen Cham, den tegenwoordigen Keizer van China.
Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw achtte de leiding van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de tijd gekomen om de handelsbetrekkingen met de landen in het Verre Oosten uit te breiden tot het Chinese keizerrijk. In 1654 werd besloten een bijzonder gezantschap onder leiding van opperkoopmannen Pieter de Goyer en Jacob de Keyser naar China te sturen. Het gezantschap kreeg niet alleen opdracht om handelsbetrekkingen met de Chinezen aan te knopen. Het immense Rijk van het Midden was in de zeventiende eeuw voor het westen nog goeddeels onbekend gebied. Daarom kreeg het gezantschap tevens de opdracht, om een uitgebreide reisbeschrijving te maken van hun reis naar het Chinese hof. Om het reisverslag behalve in woord ook in beeld gestalte te geven, werd aan het gezantschap een 'constich teyckenaer' toegevoegd, die er voor moest zorgen dat alles 'in haar rechte forme ende gestaltenisse' werd afgebeeld. Die tekenaar was de avontuurlijke reiziger Johan (Joan) Nieuhof.
Johan Nieuhof werd in 1618 geboren in Uelsen in het graafschap Bentheim. Zijn vader, oorspronkelijk uit Zwolle afkomstig, was daar burgemeester. Op 22-jarige leeftijd vertrok Johan Nieuhof als vaandrig naar Brazilië. Zijn omzwervingen over de wereld zouden zijn gehele verdere leven in beslag nemen, op twee korte bezoeken aan Nederland, in 1658 en 1671, na. Na een leven vol reizen en avonturen, goeddeels in dienst van de VOC, is Johan Nieuhof in 1672 op het eiland Madagascar spoorloos verdwenen.
Johans broer Hendrik, een in Amsterdam woonachtige kunstschilder, beschreef Johan Nieuhof als "begaaft met een goet verstant en andere deftige hoedanigheden; lustigh en vrolijk van aart, en aangenaam in de ommegang; een liefhebber van de poësij, teikenkunst en musijk. Hij sprak verscheide talen, en had groote lust in verre en vreemde landen te bezien en t' onderzoeken". Aangezien reizen, niet schrijven, de lust van zijn leven was, liet Nieuhof graag zijn schetsen en aantekeningen "om deze [...] niet aan de woeste zee en holle golven te betrouwen" achter bij zijn broer Hendrik.
Kort na zijn Chinese avontuur keerde Johan Nieuhof terug naar Nederland. Hij schreef daarover op 6 juli 1658, toen hij introk bij zijn broer in Amsterdam: "Ik had dagelix groot bezoek van verscheide liefhebbers om de Sineese schriften en tekeningen, die ik met mij uit Sina gebragt had, te zien en daervan te spreken. Na ik mij aldaer omtrent drie maenden, om wat uit te rusten, opgehouden en mijne zake zoo daer als in Zeelant verricht, en het journael of de reisbeschrijvingh des Sineeschen gezantschap aan mijnen broeder gelaten had om onder zijn opzigt en op verzoek van vele voorname perzonen, te laten drukken, zo besloot ik wederom na Oostindiën te gaen [...]". Het redigeren en uitgeven van zijn collectie 'Sineesche schriften en teekeningen' liet de rusteloze Johan maar liever aan zijn broer Hendrik over.
In 1665 verscheen bij Jacob van Meurs, 'boekverkoper en plaatsnijder op de Keijzersgracht, schuyn over de Westermarct', Het Gezantschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie, aan den grooten Tartarischen Cham, den tegenwoordigen Keizer van China: waar in de gedenkwaardighste Geschiedenissen, die onder het reizen door de Sineesche Landtschappen [...] sedert den jare 1655 tot 1657 zijn voorgevallen [...] verhandelt worden. Beneffens Een Naukeurige Beschrijving der Sineesche Steden, Dorpen, Regeering, Wetenschappen, Hantwerken, Zeden, Godsdiensten, Gebouwen, Drachten, Schepen, Bergen, Gewassen, Dieren, etc. en Oorlogen tegen de Tarters. Verciert met over de 150 afbeeltsels, na't leven in Sina getekent in zowel een Nederlandse als in een Franse uitgave. De Franse versie was getiteld l'Ambassade de la Compagnie Orientale des Provinces Unies vers 'Empereur de la Chine, ou grand Cam de Tartarie, faite par les seighneurs de la Chine, ou grand Cam de Tartarie, faite par les seigneurs Pierre de Goyer et Jacob de Keyser, illustré d'environ cent cinquante tailles-douces de la main de Jean Nieuhof. De publicatie van deze omvangrijke en van niet minder dan 150 kopergravures voorziene boeken moet een enorme investering hebben gevraagd van de uitgever. Zoals de historicus en sinoloog Blussé (die de oorspronkelijke schetsen van Nieuhof in Parijs 'herontdekte') in zijn publicatie Johan Nieuhofs beelden van een Chinareis 1655-1657 aangeeft, initieerde Van Meurs met deze uitgave een lange reeks van beschijvingen van de andere werelddelen, zoals bijvoorbeeld de beroemde werken over Afrika, Azië en Klein Azië van Olfert Dapper (1636 of 1637-1689).
Uit de titel van Het Gezantschap wordt direct al duidelijk dat het hier niet uitsluitend om een reisverslag maar tevens om een landbeschrijving van China gaat. Een dergelijke combinatie was in de zeventiende eeuw overigens gangbaar. De avontuurlijke ontdekkingsreizen in de zestiende en zeventiende eeuw naar Amerika en Azië leidden tot een nieuw genre, van reisverhalen, populair bij zowel kooplieden als bij 'het grote publiek'. In de Nederlanden waren al eerder (en vooral na 1640) reisverhalen en beschrijvingen over China verschenen. Een beeld van hoe China er nu in werkelijk uitzag geven deze reisverhalen en beschrijvingen nauwelijks.
Hendrik Nieuhofs aanprijzing, in de voorrede van de uitgave van Johan Nieuhofs reisverslag, dat het meer dan 150 kopergravures bevatte, vervaardigd naar de tekeningen die Johan zelf in China 'na het leven' had gemaakt en die, in de woorden van Hendrik, "van niemat tot noch toe, dan van mijnen broeder uit Sina gebracht zijn", benadrukt dan ook terecht het nieuwe en unieke van dit beeldmateriaal.
Het Gezantschap genoot onmiddelijk succes en beleefde vele oplagen en herdrukken. De afbeeldingen werden vrijwel direct in andere boeken over China overgenomen. Blussé geeft aan, dat zij dé inspiratiebron werden van de ontluikende Chinoiserie.
Veel is er al gezegd in dit artikel over de tekeningen van Nieuhof. Maar wat laten zij nu precies zien? Thematisch volgen zij de indeling van het boek: Het eigenlijke reisverslag (pagina 1-208) en de Algemeene Beschryving van 't Ryk Sina (pagina 1-258) waarin opgenomen een Kort en bondigh verhael van 't overgaan van 't Ryk Sina aen den Grooten Cham van Tartarye.
Het reisverslag bevat de meeste afbeeldingen; het 'etnologische' tweede deel bevat een veel kleiner aantal illustraties. De afbeeldingen bij het reisverslag brengen de gehele route van het gezantschap, van Batavia tot Peking, in beeld. De meeste gravures laten de silhouetten van de dorpen en steden zien, zoals Johan Nieuhof die in het landschap zag liggen. Incidenteel tonen zij iets van de Chinese architectuur zoals een pagode of een landschappelijke bezienswaardigheid. Enkele gravures laten de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de tocht zien, zoals het ontvangstbanket voor de muren van Canton en de keizerlijke audiëntie in Peking. Van de belangrijkste bezochte steden zijn plattegronden gemaakt. Het 'etnologische' tweede deel bevat afbeeldingen van dieren, planten en de bevolking van China. Een enkele illustratie geeft een beeld van de wreedheden tijdens de Tartaarse invallen in China. Met dit uitgebreide en gevarieerde, nieuwe beeldmateriaal werd China voor het eerst 'na het leven' aan het Europese publiek getoond.
De (verschillende) makers van de kopergravures moeten zich gebaseerd hebben op een reeks grof uitgevoerde schetsen. Johan Nieuhofs voorstellingen van China lijken, juist omdat ze geacht werden 'na het leven' te zijn gemaakt, nieuwe voeding te hebben gegeven aan het exotische China-beeld dat destijds bestond. Aan vele prenten zijn motieven toegevoegd, die in Europa door de bekendheid met Chinees porcelein als typisch Chinees werden beschouwd.
De tamelijk sobere oorspronkelijke schetsen van landschappen, steden, dorpen en volkstypes, hebben in prentvorm een veel exotischer karakter gekregen. Het beeld is als het ware 'verchineest', met gekrulde daken en exotische kleding en - niet in de bereisde streken voorkomende - palmen. DIt typische beeld van China zien we in vele latere zeventiende en achttiende-eeuwse Chinoiserie-ontwerpen nog steeds terugkomen. Maar de graveur die een beeld 'exotischer' maakt, moet toch minstens een voorstelling van dat exotische hebben.
Waarschijnlijk hebben zij dan ook weer naar afbeeldingen op Chinees porselein gekeken. Een ander opvallend aspect aan de prenten is een zekere 'vereuropeanisering' van de afbeeldingen. Zo plaatsten de graveurs bomen op de voorgrond als repoussoir, of gaven een donker accent aan de voorgrond. Ook tekenden zij in de landschappen wandelaars, bedelaars, pelgrims en dergelijke in, die ontleend lijken te zijn aan Nederlandse prenten uit die tijd. Deze vertekening (zie afbeelding 4) heeft het 'Chinabeeld' in Europa gedurende langere tijd sterk beïnvloed. Veel uitingen van Chinoiserie in de achttiende eeuw zouden er zonder Het Gezantschap anders hebben uitgezien.
Het Gezantschap op reis
Het reisverslag laat zich lezen als een ouderwets avonturenverhaal, dat de bekende reisboekenschrijfster Carolijn Visser in de jaren tachtig van de vorige eeuw er toe inspireerde 'in het voetspoor van Nieuhof' door China te reizen. Iedere dag bracht nieuwe avonturen en indrukken. Nieuhof beschikte over een kaart van China, maar al spoedig bleek dat deze zeer onnauwkeurig was. Blussé merkt op dat naast de toevallige gebeurtenissen die zich van dag tot dag voordoen, zoals ontmoetingen met bedelaars of Jezuieten, brandjes en aanvaringen, er ook steeds terugkerende verschijnselen zijn waarin gaandeweg een samenhang valt te ontdekken: de onafzienbare keten van ommuurde steden langs de rivier- en kanaaloevers, het uitgestrekte wegennet met zijn regels en bepalingen, de vele ontmoetingen met lokale bestuursambtenaren, kortom de alomtegenwoordigheid van de Chinese bureaucratie.
De Nederlanders hebben te laat begrepen dat in de ogen van de Chinezen hun hofreis een routineaangelegenheid was. Met geschenken beladen kwamen de vertegenwoordigers van de VOC naar China om de keizer een firman, een vrijbrief, voor de handel te vragen. Zulke hofreizen waren eerder al gemaakt naar andere heersers in het Verre Oosten, zoals de groot moghul van India, de susuhunan van Java en de shogun in Japan. Het Manchu-bewind in Peking zag de kooplieden echter als afgezanten van een van de vele omringende landen, die trouw kwamen betuigen aan de regering in Peking. De route van het gezantschap en de rituelen die deze missie omgaven, hielden voor de Chinezen geen enkel geheim in en waren volledig door de vaste regels en de gebruiken van het Chinese bureaucratische stelsel bepaald.
Voor het functioneren van dit stelsel was een goed beheerd wegennet een eerste vereiste. Zonder een goed wegennet was in het uitgestrekte Rijk van het Midden geen goede communicatie en transport mogelijk. In dit binnenlandse verkeer speelden, net als in Nederland, waterwegen een essentiële rol. De Yangzi rivier, die van west naar oost stroomt, was (en is nog steeds) de belangrijkste verkeersader tussen het Chinese binnenland en de kust. Omdat de overwegend bergachtige provincies ten zuiden van de Yangzi doorsneden worden met bevaarbare rivieren, vond ook hier het belangrijkste verkeer te water plaats. Tussen de Yangzi delta, de rijstschuur van China, en de keizerstad Peking in het noorden van het land bestond echter geen natuurlijke waterweg. Daartoe werd aan het begin van de vijftiende eeuw het ruim 1500 kilometer lange Keizerlijke Kanaal aangelegd. Via dit langste nog steeds functionerende kanalensysteem ter wereld werd Peking bevoorraad.
Het reistraject van het Nederlandse gezantschap viel samen met de officiële postweg van Canton naar Peking: de Beijiang rivier in de provincie Guangdong, de Meiling pas, die deze provincie van haar noorderbuur Jiangxi scheidt, de Gan rivier tot aan het Poyang meer, een gedeelte van de Yangzi rivier in westelijke richting tot aan de stad Yangzhou, en vervolgens was het nog duizend kilometer langs het Keizerlijk Kanaal alvorens de stad Peking bereikt werd.
Na hun aankomst in Canton in september 1655 werden de gasten eerst onthaald door de twee onderkoningen van de provincie. De gezanten moesten wachten op bericht van het hof uit Peking dat zij welkom waren. Dat was een tijdrovende aangelegenheid. Pas in maart 1656 mochten De Goyer en Keyser op pad. Het gezelschap bestond verder uit twee onderkooplieden, Leonardus de Leonardis en Hendrik Baron, zes soldaten als lijfwacht, een hofmeester (Johan Nieuhof), een chirurgijn, twee tolken, een trompetter en een tamboer.
Men trok, de Beijang rivier stroomopwaarts volgend, in de richting van het Meilinggebergte. Het jaargetijde was ongunstig. Door overvloedige regenval zwol de rivier aanzienlijk en Johan Nieuhof vermeldt in zijn reisverslag dat de Chinese trekkers langs de jaagpaden het zwaar te verduren hadden. Op 4 april 1656 passeerde het gezelschap de Meiling pas.
Via het langgerekte dal van de Gan rivier arriveerden de reizigers op 25 april bij het Poyang meer. Al eerder in het reisverslag had Johan Nieuhof de offerrandes beschreven die door de bemanning gebracht werden in tempeltjes bij stroomversnellingen om de watergeesten te bezweren. Voor het overvaren van het grote meer werd geofferd in het dorpje Wuchenzhen. In de tempel bracht de bemanning van het schip offers en liet een toneelstuk voor de Watergod opvoeren om hem gunstig te stemmen. De vraag welk toneelstuk moest worden opgevoerd werd bepaald door het trekken van een lot uit een gelakt scheepsmodel in de tempel.
Na de oversteek van het Poyuang Meer koerste het schip de Yangzi rivier op. Enkele dagen later kreeg de Hollandse kok ruzie met de bemanning. Hij wilde een vuur maken om vlees te braden, hetgeen tot paniek en boosheid onder de bemanning leidde. Er bevond zich namelijk, zo vertelden de scheepslieden, in de diepten van de rivier een onderwaterduivel die nu eens de vorm aannam van een grote vis, dan weer van een draak. Hij kon de geur van gebraden hoenderen en gekookt spek niet verdragen en van de weersomstuit placht hij woedende golven tegen de schepen op te jagen totdat ze kapseisden en zonken.
Het was zeker niet zo dat Johan Nieuhof zich tegen de inheemse gebruiken afzette. Hij was nieuwsgierig en nam een open houding aan ten opzichte van de voor hem vreemde, soms onbegrijpelijke, Chinese religieuze gebruiken en wilde ze graag leren kennen. De Jezuïeten in Peking waren ontzet toen zij later hoorden dat de Nederlanders zelfs geld schonken aan tempels die zij onderweg tegenkwamen.
Na de tocht over het Keizerlijk Kanaal kwam het gezantschap dan eindelijk, ruim tien maanden na aankomst in China, op 17 juli 1656 in Peking aan. Na uitgebreide ceremoniële ontvangsten werden zij op 2 oktober in audiëntie ontvangen bij keizer Shunzhi. Het ritueel omvatte ook nog drie banketten die na afloop van de audiëntie werden aangeboden. Deze banketten, die veelal in enorme zwelgpartijen ontaardden, werden meestal om de tien dagen gegeven. Omdat de Nederlanders duidelijk hadden gemaakt dat zij snel naar Canton terug wilden keren om nog te kunnen profiteren van de de gunstige moessonwinden op de terugreis, werd, om hen te gerieven, de periode tussen de banketten ingekrompen.
Op 19 oktober ontvingen zij het antwoord van de keizer aan gouverneur-generaal Johan Maatsuiker op diens verzoek om handelsbetrekkingen tussen de Nederlanden en China te openen. Hoe vriendelijk en tegemoetkomend dat antwoord ook was, het is duidelijk dat het gezantschap als een mislukking moest worden beschouwd. Het volgende citaat uit het antwoord (in de oorspronkelijke vertaling) is veelzeggend:
"Gij hebt mij verzocht om in mijn Land te komen handelen, Waaren daar in te brengen, en andere Waaren daar weder uit te voeren, waar van de gemeene man groot profijt zou kunnen strijken. Doch aangezien uw Landt zeer verre afgelegen is, en hier zeer harde winden waayen, waardoor de Schepen met groot gevaar overkomen, en het hier aan land zeer kout is, zulks het hagelt en sneeuwt, zo zou het mij deeren, en in 't herte zeer doen, indien hier van uw volk quam. Indien het u derhalven behaagt, dat ze hier komen, zoo laatze alleen om d'acht jaren eens komen, en niet meer als honderd man; waar van twintigh ter plaatze mogen optrekken, daar ik mijn hof houde. En dan kunt gij uwe koopmanschappen aan land in uw Logement brengen, zonder die op Zee voor Kanton te verhandelen. Dit heb ik uit goede genegentheit t'uwen besten alzoo goet gevonden, en vertrouwe dat u zulks ook zal aangenaam wezen. Dit is het dat ik u wilde bekent maken."
Er zijn aanwijzingen dat de Jezuïeten aan het hof van Peking tot de mislukking van het gezantschap hebben bijgedragen, uit vrees dat de positie van de Rooms-Katholieke missie in China in gevaar zou worden gebracht indien naast de Portugezen in Macao ook de Hollanders met China handel konden drijven.
Kortom: Er was niet veel meer te verliezen voor het gezantschap. Zij huurden zelf kleine snelle scheepjes voor de terugreis naar Canton om voor het invallen van de winter zo snel mogelijk naar huis terug te keren.
Geraadpleegde literatuur:
Joan Niehofs gedenkwaerdige zee en lantreize door de voornaemste landschappen van West en Oostindien. - t'Amsterdam : Voor de Weduwe van Jacob van Meurs, 1682. - [XIV], 240 p., [8] bl. pl. ; [VIII], 308 p., [73] bl. pl. : grav. ; 32 cm
Het Gezantschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie, aan den grooten Tartarischen Cham, den tegenwoordigen Keizer van China: waar in de gedenkwaardighste Geschiedenissen, die onder het reizen door de Sineesche Landtschappen (...) sedert den jare 1655 tot 1657 zijn voorgevallen (...) verhandelt worden. Beneffens Een Naukeurige Beschrijving der Sineesche Steden, Dorpen, Regeering, Wetenschappen, Hantwerken, Zeden, Godsdiensten, Gebouwen, Drachten, Schepen, Bergen, Gewassen, Dieren, etc. en Oorkogen tegen de Tarters. Verciert met over de 150 afbeeltsels, na't leven in Sina getekent / En beschreven door Joan Nieuhof. Amsterdam: By Jacob van Meurs, 1665. - 208, 258 p. ; grav. ; 32 cm
Johan Nieuhofs beelden van een Chinareis 1655-1657 / Leonard Blussé, R. Falkenburg. - Middelburg : Stichting VOC Publicaties, 1987. - 100 p. [22] p. tek : ill.; 21x29 cm
Nepotisme, patronage en boekopdrachten bij Nicolaes Witsen (1614-1717), burgemeester van Amsterdam / Marion Peters. In: Lias, 25(1998)1, p.83-134.
Asia in the eyes of Europe : Sixteenth through Eighteenth Centuries / Donald F. Lach. - Chicago : The University of Chicago Library, 1991. - 45 p.
Het boek van Johan Nieuhof : een constich teykenaer. - http://www.digischool.nl/ckv2/burger/burger17de/nieuhof.htm
Buigend bamboe / Carolijn Visser. - Amsterdam : Meulenhoff, 1990. - 260 p. : ill.