IISG

Thema's belicht

Een proefschrift in wording over de milieugeschiedenis van het eiland Sumbawa, Indonesië

Bernice de Jong Boers

In 1993 begon ik met een promotieonderzoek op het gebied van milieugeschiedenis in Indonesië in het kader van het EDEN I - project van het KITLV (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde) te Leiden. EDEN is een acroniem voor Ecologie, Demografie en Economie in Nusantara 1). Dit onderzoeksproject beoogt de bestudering van de onderlinge relaties tussen deze drie componenten in Indonesië in de periode 1500-1850.
Ik zou Bali en Nusa Tenggara, een gebied dat buiten Indonesië vooral bekend is onder de naam 'de Kleine Sunda Eilanden', voor mijn rekening nemen. Omdat 'Ecologie' werd beschouwd als het meest innoverende element binnen het project was het van meet af aan de bedoeling om hier de meeste nadruk op te leggen. Zelf zag ik dat aanvankelijk niet zo zitten. Ik had eerder onderzoek gedaan naar family planning op Bali en wilde me dan ook het liefst gaan bezighouden met de demografische aspecten van het onderzoek. Na verloop van tijd begon mijn belangstelling te verschuiven. Het milieu-element binnen het onderzoek begon me steeds meer te trekken.

Landschap Sumbawa

Landschap op Sumbawa met sawah op de voorgrond

Wat betreft het onderzoeksgebied kreeg ik na een tijdje het gevoel door de bomen het bos niet meer te zien omdat er een grote diversiteit (zowel qua geschiedenis als milieu) bestaat tussen de Kleine Sunda Eilanden onderling. Ik besloot dan ook om mijn onderzoek in te perken tot slechts één eiland: Sumbawa. Met pijn in mijn hart nam ik afscheid van Bali en de andere eilanden. Mijn keuze voor Sumbawa werd ingegeven doordat dit eiland over het algemeen relatief weinig bestudeerd is en omdat het vanuit ecologisch gezichtspunt een erg interessant eiland leek te zijn: eeuwenlang bestonden verschillende vormen van landbouw naast elkaar (de zogenoemde ladang en sawah 2), paardenfokkerij vormde een belangrijk bestaansmiddel, sappanhout was een belangrijk bosproduct en een vulkaanuitbarsting in 1815 zette het hele eiland op zijn kop. Op deze manier kreeg mijn onderzoeksonderwerp langzamerhand steeds meer vorm: een milieugeschiedenis van het eiland Sumbawa.
Milieugeschiedenis zou gedefinieerd kunnen worden als de geschiedenis van de onderlinge beïnvloeding van alle elementen behorende tot het natuurlijk milieu. Hierbij ga ik er vanuit dat de mens één van de elementen is van het natuurlijk milieu. Mijn belangrijkste onderzoeksvragen zijn:

Ik ben hierbij vooral thematisch te werk gegaan. Het is niet mijn bedoeling om een volledige en uitputtende milieugeschiedenis van het eiland te schrijven. Dat zou ook niet kunnen, ten eerste omdat daarvoor de historische bronnen met betrekking tot het eiland te schaars zijn en ten tweede omdat de onderzoeksthema's binnen het vakgebied milieugeschiedenis daarvoor te divers en veelomvattend zijn.

Voor het grootste gedeelte is mijn proefschrift gebaseerd op archiefmateriaal en secundaire literatuur. Hierbij ben je als onderzoeker steeds afhankelijk van de interpretaties en meningen van anderen zonder deze zelf te kunnen controleren. Voor een 'van-huis-uit' antropologe valt dat niet altijd mee, zeker niet als je bedenkt dat de meningen van veel koloniale ambtenaren niet bepaald waardevrij te noemen zijn. Een voorbeeld hiervan is de memorie over Sumbawa van controleur W.G. van der Wolk uit 1941 3). Op zichzelf een zeer interessante, informatieve en gedetailleerde memorie, maar wel één waarin Van der Wolk zich af en toe bepaalde standpunten aanmatigt die naar mijn idee toch wel neigen in de richting van koloniale stereotypen en vooroordelen over de lokale bevolking van Sumbawa. Zo schrijft hij op p. 77: "Op het gebie[d] van huis[v]lijt is Soembawa volkomen maagdelijk. Zoals reeds eerder werd opgemerkt is het volk hier niet bepaald kunstzinnig [even]min nijver van aard." Op p. 90 staat vervolgens te lezen: "De volkshygiëne staat hier op lagen trap. [...]. Het zijn vooral de vrouwen, die door leefswijze [d]e reinheid op het lichaam als anderzins invloed moeten uitoefenen op de jeugd en de mannen, en juist bij de Soembawarese vrouw zijn deze eigenschappen zoek." Als je dergelijke passages leest, begin je jezelf toch af te vragen waar deze nu het meest over vertellen: over de bevolking van Sumbawa of over Controleur Van der Wolk zelf? En dat vind ik misschien wel het moeilijkste te aanvaarden van mijn promotieonderzoek: dat ik niet kan terugvallen op eigen antropologisch veldwerk en dat ik steeds weer moet vertrouwen op de interpretaties en inzichten van anderen.

Sumbawa is één van de Kleine Sunda Eilanden. Het ligt in het zuidoostelijk deel van de Indonesische archipel, dat in het Indonesisch Nusa Tenggara heet. Het is een grillig gevormd en bergachtig eiland met een grote baai in het midden en veel inhammen en uitstulpingen. Het strekt zich van west naar oost over 280 kilometer uit, terwijl de afstand tussen noord en zuid varieert van 15 tot 90 kilometer. De totale oppervlakte van het eiland bedraagt ongeveer 15.600 km2. Ter vergelijking: Nederland is tweemaal zo groot als Sumbawa. Verder is het eiland gesitueerd in één van de, in geologisch opzicht, meest complexe gebieden, en in tectonisch opzicht, meest actieve gebieden van de wereld. In dit gebied vinden dus veel aardbevingen en vulkaanuitbarstingen plaats. De uitbarsting van de vulkaan Tambora, gelegen op het schiereiland Sanggar, die in 1815 plaatsvond, heeft Sumbawa enige faam bezorgd 4). Het was de grootste uitbarsting van 'de moderne tijd' 5), vandaar dat het eiland onder vulkanologen en andere aardwetenschappers een populair onderzoeksgebied is. In cultureel en taalkundig opzicht valt het eiland in twee delen uiteen: het westelijk deel en het oostelijk deel. Aan het westelijk deel, Sumbawa, dankt het eiland haar naam en hier spreekt men Sumbawarees. In Bima, zoals het oostelijk deel van het eiland heet, spreekt men Bimanees.

Voormalige sultanspaleis te Sumbawa Besar

Het voormalige sultanspaleis te Sumbawa Besar (Dalam Loka), dat in 1885 gebouwd werd op 99 palen van teakhout

De historiografie en etnografie van het eiland Sumbawa staan nog in de kinderschoenen. Behalve aardwetenschappers toonden (en tonen) maar weinig mensen (zoals reizigers, handelaars en wetenschappers) belangstelling voor dit eiland. Dit was één van de redenen waarom het voor mij een steeds grotere hobby werd (je zou het ook een obsessie kunnen noemen) om nieuwe informatie en publicaties over Sumbawa op te sporen. Ik legde een database aan met titels van boeken en artikelen die iets over dit eiland melden en voorzag deze vaak van trefwoorden (helaas niet volgens een thesaurus), notities en/of korte samenvattingen. Zo ontstond een eerste aanzet tot een bibliografie over Sumbawa. Inmiddels telt mijn database 964 records. Door Sumbawa's populariteit onder vulkanologen en geologen heeft een aanzienlijk deel hiervan (zo'n 15%) betrekking op een aardwetenschappelijk onderwerp. Ongeveer 500 van de 964 titels handelen vrijwel uitsluitend over Sumbawa. Op het eerste gezicht lijkt dit misschien niet gering, maar het is verbazingwekkend weinig als je het vergelijkt met het aantal publicaties dat over het nabijgelegen eiland Bali, dat drie maal zo klein is als Sumbawa, verscheen. Een bibliografie over Bali en Lombok telde in 1920 al 800 titels 6) en dit aantal was in 1992 voor het eiland Bali alleen gestegen naar 8000 7).

Heinrich Zollinger

Heinrich Zollinger

De belangrijkste persoon voor de historiografie van Sumbawa is wel Heinrich Zollinger geweest. Deze natuurvorser bracht in 1847, in opdracht van de toenmalige Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, J.J. Rochussen, een bezoek aan het eiland 8). Gedurende de drie maanden die hij er verbleef, doorkruiste hij het hele eiland, bracht hij bezoeken aan Sultans en andere hooggeplaatsten, raadpleegde hij enkele stukken in het archief te Bima en verzamelde hij planten- en diersoorten voor nader onderzoek. Zijn bevindingen legde hij vast in een omvangrijk rapport dat in 1850 door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen werd uitgegeven onder de titel Verslag van eene reis naar Bima en Soembawa, en naar eenige plaatsen op Celebes, Saleijer en Floris, gedurende de maanden Mei tot December 1847. Dit verslag is nog steeds een must voor iedereen die meer zou willen weten van dit eiland; het bevat topografische, botanische, zoölogische, historische, etnografische, linguïstische, agrarische en economische gegevens. Dit verslag is opgenomen in deel 23 van de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (1850) en is zowel in de Akademiebibliotheek 9) als in de bibliotheek van het KITLV 10) raadpleegbaar.
Iedereen die meer zou willen weten van Heinrich Zollinger zelf, kan terecht bij de korte biografische schets die Hans Wanner in 1984 over hem publiceerde: Heinrich Zollinger, 1818-1959: Ein Zürcher Schulmann als Naturforscher und Pflanzer in Indonesien. Sein Leben und seine Zeit 11).

Ondanks de betrekkelijk geringe belangstelling voor Sumbawa, ben ik niet de eerste die een proefschrift over dit eiland schrijft. Zes heren en twee dames gingen mij voor: I.M. van der Vlerk promoveerde op fossielen van Sumbawa (1922), Peter Goethals schreef een dissertatie over verwantschap en sociale structuur in een dorp op West-Sumbawa (1961), Jeffrey Brewer bestudeerde de landbouw en de culturele tradities die hiermee samenhangen in twee dorpen in Bima (1979), Michael Hitchcock's proefschrift had betrekking op huizenbouw en het weven van textiel in Bima (1983), Peter Just schreef een etnografie van het 'traditionele' bergvolk de Dou Donggo, die ten westen van de baai van Bima leven (1986), Rika Hayami-Allen verrichtte een taalstudie naar het dialect van Taliwang (West-Sumbawa)(1995) en Hélène Grall-Johnson promoveerde op de geochemische evolutie van de Tambora (1997). En dan was er nog Gerrit Kuperus. Laatstgenoemde promoveerde in 1936 in Utrecht op de geografische studie Het cultuurlandschap van West-Soembawa. In deze dissertatie stond de 'vormenrijkdom' van het landschap centraal. Kuperus bestudeerde de verspreiding van de verschillende landschapselementen en stelde een ontwikkelingsgeschiedenis van het cultuurlandschap op.

Daarnaast ging hij in op landschapsveranderingen die door westerse invloeden optraden 12). In 1931 en 1932 bezocht hij het eiland en deed hij bovendien enig archiefonderzoek waardoor zijn studie ook historische gegevens bevatte. In een later artikel publiceerde Kuperus soortgelijke gegevens over het oostelijk deel van het eiland (Bima) en vergeleek hij beide delen van het eiland met elkaar 13). Het mag duidelijk zijn dat zowel zijn dissertatie als het genoemde artikel van groot belang zijn voor de milieugeschiedenis van het eiland Sumbawa (en dus ook voor mijn proefschrift). Zijn werk zou beschouwd kunnen worden als de eerste studie op het terrein van de milieugeschiedenis van Sumbawa.

Het dorsen van sojaplanten

Het dorsen van sojaplanten (Glycine max) met behulp van paarden in West-Sumbawa

Net als Zollinger en Kuperus heb ik Sumbawa met eigen ogen mogen aanschouwen. Tweemaal bracht ik het eiland een bezoek: in 1994 en 1996. In 1994 was ik er op doorreis en destijds wist ik nog niet dat dit eiland centraal zou komen te staan in mijn proefschrift. In 1996 probeerde ik ter plekke nieuwe gegevens te verzamelen. Ik legde contact met enkele onderzoekers en de lokale bevolking, bezocht musea en vergaarde kopieën van materiaal dat alleen op Sumbawa zelf te krijgen is. Helaas wist de bevolking zelf maar weinig van de geschiedenis van het eiland. Archieven bestonden veelal niet meer en de lokale bronnen van informatie die ik vond, leverden voor mij vaak weinig nieuws op. Door mijn bezoeken aan het eiland kwam Sumbawa voor mij wel echt tot leven en werd mijn kennis van de topografie en het fysieke milieu van het eiland aanzienlijk vergroot.
Begin november 1996 maakte ik een tocht door het westelijk deel van het eiland met als hoofddoel om het sappanhout, een houtsoort die vroeger zeer in trek was vanwege de rode kleurstof die eruit bereid kan worden (en waar één van mijn hoofdstukken aan gewijd is), met eigen ogen te kunnen zien. Ik ging op weg en kwam via een kennis terecht in het dorp Pamulung. Deze bracht me in contact met een oudere man uit het dorp die wist waar in de omgeving sappanhoutbomen te vinden waren. Alvorens we naar die plek gingen, werden we ontvangen in zijn op palen gebouwde huis (in Sumbawa zijn bijna alle huizen op palen gebouwd vanwege het altijd aanwezige overstromingsgevaar, bijvoorbeeld ten tijde van hevige regens). Op het moment dat we zijn huis via het trappetje binnengingen, zat zijn vrouw in de woonkamer te weven (zie foto).

Het omploegen van een sawah

Het omploegen van een sawah in de omgeving van Dompu, Oost-Sumbawa

Uiteraard begon ik een praatje met zijn vrouw en zij vertelde dat het weefgetouw dat zij gebruikte nog van haar oma was geweest. Zelf had ze leren weven toen ze ongeveer tien jaar oud was. Vroeger spon bijna iedereen zijn eigen garen maar nu wordt het garen gewoon in strengetjes ingekocht. Wel wordt nog vaak met traditionele kleuren gewerkt. De vrouw vertelde verder dat er tegenwoordig niet veel mensen meer zijn die weten hoe ze een dergelijk weefgetouw kunnen maken. Eén onderdeel van het weefgetouw (een dunne horizontale puntstaaf) bleek trouwens van sappanhout gemaakt te zijn. Gedurende haar uitleg over het weven begon het keihard te regenen en niemand had veel zin om de berg op te gaan op zoek naar het sappanhout. We bleven dus wachten tot de bui over was en ondertussen had ik de tijd om nog wat rond te kijken in het op palen gebouwde huis. Eigenlijk bestond het huis uit één grote ruimte, die met behulp van gordijntjes onderverdeeld was in kamers. Eén grote kamer, de woonruimte, waar het spinnewiel en het weefgetouw stonden met verder wat eenvoudige stoelen, een tafel en een kast. Een veel kleiner kamertje achter het gordijn diende als slaapkamer. In een hoekje achteraan was de keuken waar plaats was voor twee pannen op het vuur. Bij iedere stap die ik in het huis zette, kraakte de houten plankenvloer. De wanden waren van gevlochten bamboe gemaakt met een open gat als raam (zonder glas).

Vrouw aan het weefgetouw

Vrouw uit het dorp Pamulung (West-Sumbawa) aan het weefgetouw

Toen na een tijdje de zon weer begon te schijnen, gingen we naar buiten de berg op. Na niet al te lange tijd bergop gewandeld te hebben, vonden we de sappanhoutboom; een struikachtig boompje met doornige stam. Het hout van deze boom is erg hard. Door het hout te koken komt er een rode kleurstof vrij die gebruikt kan worden om weefsels te kleuren. Deze rode 'thee' van het hout (air sepang genaamd) kan ook gedronken worden en heeft volgens de mensen op Sumbawa een versterkende en vitaliserende werking. De man die me naar de boom toegebracht had, hakte een klein stukje van de stam voor me af. Dit stukje hout heb ik naar Nederland meegenomen; het ligt nu bij mij thuis als souvenir op mijn bureau. Toen we terug naar het huis liepen zagen we nog een enorme bloem (zie foto)

Bloem behorende tot het plantengeslacht Amorphophallus

Bloem behorende tot het plantengeslacht Amorphophallus (in de omgeving van Pamulung, West-Sumbawa)

die mij in eerste instantie wel enigszins deed denken aan een Rafflesia, een grote, zeldzame bloem die alleen op Sumatra voorkomt en die naar Sir Thomas Raffles 14) genoemd is omdat die deze voor het eerst aangetroffen zou hebben. Bij nader inzien bleek de bloem echter tot het plantengeslacht Amorphophallus 15) uit de Aronskelkfamilie te behoren. Voor de mensen op Sumbawa is de bloei van deze bloem een teken dat het regenseizoen er bijna aankomt.

Door mijn verschillende tochtjes over het eiland heb ik een goede indruk gekregen van hoe het landschap er vandaag de dag uitziet. Er zijn zeker overeenkomsten met het verleden want net als vroeger is er nog steeds veel loslopend vee (paarden, geiten, karbouwen en koeien) te zien op het eiland, en bestaan de twee belangrijkste vormen van landbouw, ladang en sawah nog altijd naast elkaar. Uiteraard heb ik ook de voormalige sultanspaleizen in Sumbawa Besar en Bima bezocht. In beide paleizen zijn tegenwoordig musea gevestigd. De objecten die tentoongesteld worden geven enige indruk van de vroegere pracht en praal in de sultanaten. Samen met de informatie uit de primaire en secundaire bronnen geven deze bezoeken me al met al toch wel enig idee van hoe het vroeger geweest zou kunnen zijn.

Man in traditioneel danskostuum

Man bij het voormalige sultanpaleis in Bima in traditioneel danskostuum

Wanneer mijn proefschrift klaar zal zijn en wanneer ik het zal verdedigen is op dit moment nog niet precies bekend. Wel al bekend is welke titel mijn proefschrift zal gaan dragen: Sublime valleys and unbroken mountain ranges: Explorations in the environmental past of Sumbawa, Indonesia. Er zijn inmiddels enkele hoofdstukken af. Deze hoofdstukken handelen onder meer over de sociaalpolitieke structuur, demografische ontwikkelingen, de landbouw en veeteelt, de kap van sappanhout, de uitbarsting van de Tambora in 1815 en recente milieuontwikkelingen. Momenteel ben ik bezig met het herschrijven van enkele stukken en vooral ook met het schrijven van de conclusies. Het cliché blijkt waar te zijn: de laatste loodjes wegen het zwaarst. Het is inmiddels in grote lijnen duidelijk welke richting de conclusies zullen opgaan, namelijk dat gedurende lange tijd (zeker tot circa 1900) het milieu, ondanks de afwezigheid van enig milieubewustzijn bij de lokale bevolking, weinig te vrezen had van de mens. Al veranderde de mens het landschap voortdurend, grote milieuvervuiling en/of -vernietiging kwam nauwelijks voor. De mens daarentegen werd bij voortduring bedreigd door allerlei natuurkrachten zoals ziekten en natuurrampen (waaronder trouwens ook de flora en fauna vaak zeer ernstig te lijden hadden). Niet zelden hadden deze gebeurtenissen een voor de mens fatale afloop. Feitelijk had de mens op Sumbawa in de periode 1500-1900 dan ook veel meer te vrezen van het milieu dan andersom.

Mw. drs. B. de Jong Boers was ten tijde van het schrijven van dit artikel werkzaam als specialist wetenschappelijke informatie maatschappijwetenschappen bij NIWI-KNAW.

De foto's bij dit artikel zijn door haar in 1996 op Sumbawa gemaakt. Het portret van Heinrich Zollinger is afkomstig uit het Neujahrsblatt herausgegeben von der Naturforschenden Gesellschaft in Zürich; 186 (1984).

Noten:
  1. Een synoniem voor Indonesië.
  2. Een ladang is een tijdelijke droge akker terwijl een sawah een permanente natte akker is (die ofwel door regen ofwel door irrigatie bevloeid wordt).
  3. KITLV, Collectie G.J. Held, H 1220(91).
  4. De Jong Boers (1994 en 1995).
  5. Francis (1993:226).
  6. Lekkerkerker (1920).
  7. Stuart-Fox (1992).
  8. Zollinger (1855).
  9. Signatuur V-..10.
  10. In de leeszaal en met signatuur TS 5471 [K265A-C/23].
  11. Signatuur M-.307s.
  12. Kuperus (1936:1).
  13. Kuperus (1938:208).
  14. Luitenant-Generaal van Indië in de periode 1811-1816 tijdens het Britse tussenbestuur.
  15. Amorphophallus betekent zoiets als 'op een phallus gelijkende'. Een groter familielid van deze bloem (Amorphophallus titanum) wordt ook wel Penisplant genoemd en is eens in de zoveel jaar in volle bloei te zien in de Hortus Botanicus in Leiden.
Literatuur:
top