Thema's belicht
Tijd... van even tot eindeloos: Uit de tentoonstelling
Frans van der Kolff
Bij het samenstellen van de tentoonstelling Tijd... van even tot eindeloos (1999) is niet gekozen voor de behandeling van tijd als een specifiek natuurwetenschappelijk of wijsgerig thema. Met de geëxposeerde werken wordt eerder de grote verscheidenheid aan invalshoeken, nuances en verschillen aangegeven dan dat een poging wordt gewaagd het begrip tijd te verklaren.
Uit de Akademiebibliotheek is een kleine selectie gemaakt, waarin de invloed van tijd op ons mensen en op de wereld om ons heen op, soms speelse, manier naar voren komt. Deze selectie, die zich uitstrekt over een groot aantal wetenschapsgebieden, laat tevens zien dat het niet alleen de hoogtepunten in collecties zijn die de moeite van het bekijken waard zijn. Veel van de op de expositie getoonde werken voldoen niet aan het predikaat hoogtepunt maar zijn, naar de mening van de samensteller, toch zeker interessant of curieus genoeg om aandacht aan te besteden.
Hierboven ziet u een aantal van de geëxposeerde objecten, die allen een link met het verschijnsel tijd, in zijn verschillende betekenissen, hebben.Van links naar rechts en van boven naar beneden: Het portret van Hugo de Groot (1583-1645), een van de legendarische figuren uit onze vaderlandse geschiedenis. In Nederland kent iedereen het verhaal van zijn opzienbarende ontsnapping in de boekenkist; in de wereld van de wetenschap staat hij te boek als een eminent geleerde, die baanbrekend werk verrichtte op het gebied van het volkenrecht. In het op de expositie getoonde tractaat geeft Hugo de Groot een uiteenzetting over de geschiedenis van het recht en de rechtspraak in onze streken.
In zijn Essai sur l'architecture pleit de jezuiet Marc Antoine Laugier voor een functionalistische esthetiek in tegenstelling tot de over-ornamentering van de Barok. Laugier gaat terug in de tijd. Hij beschrijft hoe de oorspronkelijke mens, die niet beschikt over moderne hulpmiddelen en slechts geleid wordt door zijn natuurlijke instincten, zich een schuilplaats zoekt. Van een grasvlakte, via het dichte gebladerte van een bos en een ondergronds hol eindigt die zoektocht naar een schuilplaats, aldus Laugier, in de bouw van een hut van boomtakken en bladeren: "Zo gaat het toe in de eenvoudige natuur, en de kunst heeft haar ontstaan te danken aan nabootsing van dit proces. De kleine eenvoudige hut die ik zojuist heb beschreven, heeft model gestaan voor de architectuur in al haar luister. Wanneer men bij het ontwerpen de eenvoud van deze primitieve bouwkunst voor ogen houdt, voorkomt men dat men grove fouten maakt en wordt het mogelijk werkelijke volmaaktheid te bereiken." De afbeelding naast de titelpagina van het hier getoonde Essai sur l'architecture toont Laugiers in studieboeken over architectuur veelvuldig geciteerde 'hut'.
In een boekententoonstelling over tijd mag een geschiedenisboek niet ontbreken. De derde afbeelding toont de titelpagina van Abrégé de l'histoire de la Patrie, een uit het Nederlands vertaald vraag en antwoordspel voor de jeugd uit het midden van de achttiende eeuw, in 1758 geschreven door de historicus Jan Wagenaar (1709-1773), dat ons behalve een verkorte geschiedenis ook enige aardrijkskundige informatie over de Republiek der Verenigde Provinciën verschaft.
De laatste afbeelding toont De Bezwaren tegen den geest der eeuw door mr. Isaäc da Costa (1798-1860). Dit werk veroorzaakte in 1823 een stortvloed aan protesten. Da Costa hekelde in zijn geschrift de tijdgeest op felle wijze en pleitte onder andere voor de oude lijfstraffen in het onderwijs en de slavernij. Voorts pleitte hij tegen de algemene bestrijding van armoede. Het was vooral Da Costa 's opvatting over de constitutie die zijn tijdgenoten verontwaardigde. Da Costa was namelijk van mening dat de koning in sommige gevallen zijn op de constitutie gedane eed mocht doorbreken. Die opvatting werd gezien als een rechtstreekse aanval op de theorie van de volkssoevereiniteit. Het gevolg was een stortvloed aan polemieken en scheldpartijen waarin de dichter-geleerde Willem Bilderdijk (1756-1831) met zijn De bezwaren tegen den geest der eeuw van mr. I. da Costa toegelicht (1823) de zijde van zijn vriend Da Costa koos.
AB Q 123a
"Het is aan de Liefhebbers van de Mathematische wetenschappen bekend, dat de [...] Zonnewyserskunde niet alleen een der vermakelykste Deelen van de Mathesis uitmaakt, maar ook nuttig is: Vermakelyk is se, om dat se ons in het asteikenen van dezelve dat vermaak verschaft, om met aandagt te overdenken, hoe wonderbaar en welgeregelt de Beweging en Loop der Zonne en Sterren, en ook van onze Aardkloot, is, die zich in 24 Uuren rondom syne Asse draait, sonder dat wy menschen iets daar van gevoelen, en daar door de meeste daar voor houden, dat de Zonne van't Oosten naar 't Westen, en van 't Westen weer naar 't Oosten omdraait, daar se nogtans, naar 't waarschynelykste, stille staat; dog wy sullen hier daar over nu niet verder uitweiden; en seggen ten tweeden dat de Zonnewyserskunde ook by 't vermaak nuttig is, om dat men daar door by Dag (als de Zonne schynt) de uuren op de Zonnewysers naukeurig sien kan; Elk Kennaar weet wat nuttigheid de kennisse der ware tyd en uuren heeft, om ons hier daar over niet uit te breiden: Ook moeten de Uurklokken geduurig naar een goede Zonnewyser geset worden, anders zouden ze wel haast de Uur verkeerdelyk aantonen."
In één zin weet de wiskundige Johann Hermann Knoop in de Voorreden tot zijn Verhandeling van de sphaerische of klootsche zonne-wysers het nut van de zonnewijzer en de kennis van de juiste tijd duidelijk te maken.

Laurens Jansz. Coster
Johannes Gutenberg
[Rapport van de] Commissie tot onderzoek naar het jaar der Uitvinding van de Boekdrukkunst, en ter ontwerping van een plan voor de viering van het aanstaande Eeuwfeest aan de Burgemeesteren en Raad van Haarlem.- Haarlem : [s.n.], 1822.- 30 p.-
AB D 5
Van ongeveer de zeventiende tot in de negentiende eeuw was in de Nederlandse opvatting Laurens Janszoon Coster (1405-1484) de ware uitvinder van de boekdrukkunst in plaats van de Duitser Johannes Gutenberg (1394 of 1399-1468). Nog steeds staat in Haarlem een standbeeld van Coster, maar de meeste serieuze geleerden zijn het er al meer dan 100 jaar over eens dat de Duitser toch betere papieren heeft.
De boekhistoricus prof. mr. H. de la Fontaine Verwey maakte ooit de volgende kanttekeningen bij de 'strijd' omtrent de uitvinding van de boekdrukkunst: "Er zijn weinig kwesties waaraan zoveel ijver, geleerdheid en scherpzinnigheid besteed is als aan de vraag waar en wanneer de boekdrukkunst uitgevonden is. Desondanks moet gezegd worden, dat we hieromtrent bitter weinig weten en dat de gehele aangelegenheid uiterst mysterieus blijft. De aanspraken van Coster zijn gaandeweg op de achtergrond gekomen en algemeen geldt Gutenberg als de uitvinder. Dit neemt echter niet weg, dat we ook over Gutenberg slecht ingelicht zijn.
Langs verschillende wegen heeft men getracht deze strijdvraag op te lossen. Eerst heeft men gezocht naar historische gegevens uit oorkonden, processtukken, enz. Toen deze niet voldoende bleken, heeft men bibliografische methoden te hulp geroepen en getracht het oudste drukwerk te dateren door vergelijking van de gebruikte lettertypen. Doch ook langs deze weg kwam men niet tot duidelijke resultaten. Tenslotte heeft men zich tot de technici gewend en hun gevraagd op welke wijze het oudste drukwerk gemaakt moet zijn. Hoewel dit heeft geleid tot interessante onderstellingen, is men de oplossing van de gestelde vraag niet veel nader gekomen. Het laatste woord is nog lang niet gesproken."
In 1823 werd het 'vierde eeuwfeest van de uitvinding van de boekdrukkunst', door Laurens Jansz. Coster wel te verstaan, uitgebreid herdacht. De dichter Antony Christiaan Winand Staring (1767-1840) maakte naar aanleiding van deze viering een lofdicht op Coster. We citeren een fragment uit zijn gedicht:
Zòò kwam Gods Geest op Hem, die 't Schrift
Met scheidbre teekens prentte,
en 't ruwe Letterstift
Ten erve aan Mentz iet: Haarlems roemgenoot .....
Benijdster .... en min groot.
Manuel du libraire et de l'amateur de livres / par Jacques-Charles Brunet.- Paris : Silvestre, 1843.- Dl.4.- 834 p.- ill.
AB D 78
In dit 'handboek voor bibliothecarissen en boekliefhebbers' uit de vorige eeuw beschrijft Jacques-Charles Brunet zeldzame, kostbare en bijzondere boeken, verschenen vanaf het begin van de boekdrukkunst tot in de negentiende eeuw. In dit deel van de bibliografie is een Notice sur les heures gothiques, imprimées à Paris à la fin du XVe siècle au commencement du XVIe opgenomen.
Heures gothiques, hier: getijdenboeken, zijn gebedenboeken. In de kerkelijke wereld is 'getijden' de gangbare benaming voor de verschillende gebedstijden of canonieke uren. Men onderscheidt van oudsher metten (nacht), lauden (morgen), prime of priem (begin van het werk), terts (negen uur), sext (twaalf uur), noon (drie uur), vespers (ondergaan van de zon) en completen (voor het slapen gaan).
In de Rooms-Katholieke Kerk waren deze getijdenboeken in gebruik van ongeveer de veertiende tot in de zestiende eeuw. Behalve de getijden van O.-L.-Vrouw, van het H. Kruis, die der overledenen en van bepaalde heiligen bevat het bijna altijd de zeven boetpsalmen, de lithanieën der heiligen, uittreksels uit het evangelie, alsmede de populairste gebeden van de middeleeuwen.
Protestanten verstaan onder een getijdenboek een bundel met liederen, gebeden, liturgische aanwijzingen, een Bijbelrooster of Schriftlezingen.
Vooral de oude Franse en Zuidnederlandse getijdenboeken zijn soms ware juwelen van verluchtingskunst.
Begin ende voortgangh, van de Vereenighde Nederlantsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie : vervatende de voornaemste reysen, by de inwoonderen der selver provincien derwaerts gedaen : alles nevens de beschrijvinghen der rijcken, eylanden, havenen, rivieren, stroomen, rheeden, winden, diepten en ondiepten: mitsgaders religien, manieren, aerdt, politie ende regeeringhe der volckeren : oock meede haerder speceryen, drooghen, geldt ende andere koopmanschappen met veele discoursen verrijckt : nevens eenighe koopere platen verciert : nut ende dienstigh alle curieuse, ende de andere zeevarende liefhebbers / [verzameld door Is. Commelin].- [Amsterdam : Jan Janz.], 1646.- 2 dl. : ill.
AB E 4806

Het werk bevat 28 reisverslagen, die een beeld geven van de activiteiten van de Verenigde Oostindische Compagnie in het laatste decennium van de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw. In deze periode verschijnen meerdere bundels van reisverslagen als deze. Ze schetsen een tijdsbeeld van de stand van zaken op het gebied van zeevaart, maritieme handel en ontdekkingsreizen.
Het eerste deel bevat verslagen van zestien reizen uit de jaren 1594-1602. Hieronder bevinden zich de reizen uit 1595-1597 van Willem Barents (c.1550-1597) en Jacob van Heemskerk (1567-1607) op zoek naar een noordoostelijke doorgang, inclusief de beschrijving van de overwintering op Nova Zembla. Daarnaast zijn in deze bundel opgenomen de eerste Nederlandse reis naar Indië, van 1595 tot 1597, door Cornelis de Houtman (c.1565-1599) via Kaap de Goede Hoop en de eerste Nederlandse reis om de wereld, van 1598 tot 1601, van Olivier van Noort (1558 of 1559-1627) via de straat van Magalhaes.
Het tweede deel bevat de verslagen van twaalf reizen uit de periode 1603-1631. Hieronder bevindt zich de reis uit 1615 tot 1617 van Willem Cornelisz. Schouten (c.1580-1620) en Jacques le Maire (1585-1616) via Zuid-Amerika naar Oost-Indië, waarbij zij een nieuwe doorgang (de Straat van Lemaire) en onder andere Kaap Hoorn en Stateneiland ontdekken en een reis, van 1614 tot 1617, van Joris van Spilbergen (1568-1620) die via de Straat van Magalhaes naar Indië zeilt. In Batavia neemt gouverneur-generaal Jan Pietersz. Coen (1587-1629), grondlegger van de Nederlandse macht in de Indonesische archipel, de schepen van Schouten en Le Maire in 1616 in beslag, omdat zij het monopolie van de VOC geschonden zouden hebben. Op één van de schepen van Van Spilbergen reizen zij terug naar Amsterdam.
Reistogtje met de stoomboot naar Hamburg, in den zomer van 1826 : in een' gemeenzamen briefstijl beschreven, en met onderscheidene letterkundige aanmerkingen en andere soorten van inlasschingen doorvlochten / B.H. Lulofs. - Groningen : J. Oomkens 1827-28. - 2 dl. - ill.
AB F 1628
Lulofs, docent aan de Groningse Rijksuniversiteit, schreef een uitvoering verslag in twee delen, te samen bijna duizend (!) pagina's omvattend, over de tocht van Groningen via Amsterdam naar Hamburg die hij in de zomervakantie van 1826 maakte. Het verslag, deels door wat de schrijver noemt niet buitensporig reisbare gewesten, geeft een prachtig tijdsbeeld van Nederland en het westen van Duitsland in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het ademt de rust van een ander tijdperk, waarin men uitvoerig de tijd nam om te berichten over vaak maandenlange reizen tussen plaatsen die in onze tijd, met moderne middelen van vervoer, slechts enkele uren gaans van elkaar verwijderd zijn. Lulofs begint zijn eerste brief met een goede raad van de dichter Jacob Cats (1577-1660):
Wilje reisen door het lant,
Hebt vijf dingen bij der hant
Hebt vooreerst een Ezelsoor;
Dat is, past op uw gehoor.
Hebt het ooge van een valck;
Dat is, let op menigh schalck.
Hebt de beenen van een hert;
Datje niet gevangen wert.
Hebt dan noch een verckensmuyl;
Dat is geseit, ontsiet geen vuyl.
Hebt vooral een kemelsrugh
Voor geluck en ongeluck.
Over de burgerlijke tydsbepaling. Aanwyzing van eenige eenvoudige middelen, waardoor de stand en de gang van een uurwerk, met voldoende juistheid kunnen gevonden worden / F.J. Stamkart.- Amsterdam : Weijtingh en V.d. Haart, 1847.- 97 p.- ill.
Tot 1909 kende elke plaats in ons land nog een locale, eigen tijd. Simpel gezegd: Wanneer de zon op haar hoogste punt stond, was het twaalf uur. Intussen is de tijd 'gestandaardiseerd'. Ook in Nederland kennen we nog maar één tijd, de Midden Europese Tijd (MET). De MET is een kunstmatig systeem, (onder meer) bedacht om de verwarring die de enorme verscheidenheid aan lokale tijdsbepalingen met zich meebracht uit de weg te ruimen. Omdat deze tijd in veel landen van Europa tot norm is aangewezen, komt het bijna niet meer voor dat wij de zon precies om twaalf uur 's middags op haar hoogste punt zien staan.
Naast de verschillende locale tijden in de negentiende eeuw was er het probleem hoe de tijd, binnen de locale tijd, nauwkeurig te bepalen. Het hier getoonde werk Over de burgerlijke tydsbepaling handelt over de behoefte die in de negentiende eeuw ontstond aan een eenvoudige en voor burgerlijk gebruik voldoende nauwkeurige manier van tijdsbepaling. In 36 paragrafen geeft de auteur aanwijzingen op welke manier het beste een burgerlijke tijdsbepaling te verwezenlijken, die zowel eenvoudig uit te voeren als voldoende nauwkeurig is, teneinde te komen tot "iets, dat in den tegenwoordig bestaanden en zich verder ontwikkelenden toestand der Maatschappij behoefte is, en meer en meer wordt: eene gelijke en regelmatige tijdsaanwijzing door de openbare uurwerken in geheel ons vaderland."
Papers on time reckoning and the selection of a prime meridian to be common to all nations / by Sandford Fleming.- Toronto : Copp, Clark and Co., 1879.- 63 p.- ill.
AB Q 211
De keuze van 'a prime meridian to be common to all nations' was een belangrijke kwestie, waarbij niet alleen wetenschappelijke maar ook politieke factoren een rol speelden.
Een meridiaan is een denkbeeldige cirkel op het aardoppervlak, die door beide polen gaat. Als eerste meridiaan of 'nulmeridiaan' is nu de denkbeeldige cirkel vastgesteld die loopt door het vroegere dorp Greenwich (nu een stadsdistrict in het oostelijk deel van Londen), of, preciezer gezegd, over de in 1675 door koning Charles II in Greenwich gebouwde sterrenwacht. Het is deze meridiaan vanwaar de geografische lengte wordt bepaald. Die geografische lengte is een belangrijk gegeven bij de tijdsbepaling. Eén van de methoden van tijdsbepaling is het waarnemen van de doorgang van een hemellichaam door een meridiaan. Eenvoudig gezegd: Als 's middags in Greenwich de zon haar hoogste punt heeft bereikt, is het daar twaalf uur.
Ortszeit und Weltzeit: ein Beitrag zur Orientirung und Verständigung / von W. Foerster.- Berlin : W. Moeser, 1884.- 26 p.
AB Q 209a
Note sur les derniers progrès de la question de l'unification du calendrier dans ses rapports avec l'heure universelle / Royale Académie [sic] des sciences de l'Institut de Bologne.- Bologne : Royale Académie [sic] des sciences de l'Institut de Bologne, 1888.- 26 p.
AB Q 209c
In de tweede helft van de negentiende eeuw hield men zich in vrijwel alle landen van de westerse wereld bezig met de standaardisering van tijdrekening en tijdsbepaling. Hier worden, in de vorm van twee notities uit Duitsland en Italië, enkele voorbeelden van die pogingen tot standaardisering getoond.
Het eerste werkje, Ortszeit und Weltzeit, richt zich met name op de problematiek van de tijdsbepaling. De Italiaanse Note sur les derniers progrès de la question de l'unification du calendrier dans ses rapports avec l'heure universelle handelt over de universele invoering van de Gregoriaanse tijdkalender. Tegenwoordig hebben alle landen van de wereld deze kalender geaccepteerd, hetgeen overigens niet wil zeggen dat naast deze kalender door sommige landen geen eigen, cultureel of religieus bepaalde kalender wordt gehanteerd.
De Gregoriaanse kalender werd in 1582 door paus Gregorius XIII ingevoerd. De kalender was een verbetering van de tot dan toe gehanteerde Juliaanse tijdrekening. In onze streken wordt de Gregoriaanse kalender al sinds 1583 toegepast, al moet daarbij worden aangetekend dat voor de Protestantse gebieden in de Nederlanden de invoering pas omtrent 1700 plaatsvond. In de GOS-landen, Turkije, Griekenland en China werd de Gregoriaanse kalender pas in deze eeuw ingevoerd. Een merkwaardig gevolg van de late invoering van de Gregoriaanse kalender in het vroegere Rusland is, dat de October-Revolutie van 1917 zich volgens de tijdrekening van de meeste andere landen in november van dat jaar voltrok... Een correctie heeft tot op heden niet plaatsgevonden.