De globalisering van het onderzoek en verzamelen van het IISG staat niet op zichzelf. Het woord 'globalisering' ligt aan het begin van de eenentwintigste eeuw iedereen in de mond bestorven - of het nu gaat om de mondiale economische crisis, de verschuivingen van macht en arbeid van West naar Oost, de snelle groei van wereldbevolking en wereldsteden, of de opwarming van de aarde, die niet voor niets ‘global warming’ genoemd wordt. Een belangrijk aspect is ook de massale migratie van mensen op zoek naar nieuwe grond, meer of beter betaalde arbeid, meer vrijheid, of een combinatie hiervan. Migratie van ideeën en goederen hoort daarbij.
In historische instituten aan de universiteiten is wereldgeschiedenis (world history en global history) een van de snelst groeiende vakken. Dat blijkt uit het succes van twee gespecialiseerde tijdschriften op dit gebied, maar ook uit de aandacht ervoor in tijdschriften die zich voorheen vooral tot nationale onderwerpen beperkten. Het onderzoek maakt steeds vaker expliciete en systematische vergelijkingen tussen landen en streken wereldwijd, bij voorbeeld ter verklaring van economische ongelijkheid. Ook de onderzoeksafdeling van het IISG en zijn tijdschrift, de International Review of Social History, wijden zich hieraan. Daarnaast is ook migratiegeschiedenis wereldwijd een speerpunt van het onderzoek geworden, naast de vergelijking van arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en organisatievormen.
In feite is 'globalisering', in de zin van een toenemende verwevenheid van de menselijke gemeenschappen die de wereld bevolken, een vele eeuwen geleden begonnen proces. Het is versneld door de trek van mensen op zoek naar geluk en van kapitaal op zoek naar rendement, door kolonialisme en imperialisme, en door het universalisme van de idealen van de Franse Revolutie. In de IISG-verzameling vindt het zijn neerslag zowel in de 'klassieke' collectie als in nieuwer materiaal van en over bewegingen op het gebied van politieke hervormingen, mensenrechten of milieu.
Migratie-historici houden zich vooral bezig met de trek naar de Nieuwe Wereld, in het bijzonder voor 1922, toen de Verenigde Staten vrije immigratie aan banden legden en nationale quota invoerden. Daarom zijn we goed geïnformeerd over de transatlantische migratie van slaven uit Afrika (201-202), 'koelies' uit Azië, en over de migratie vanuit West (203) en Oost-Europa (204). Grote databases van schepen die migranten en slaven vervoerden, maar ook van de individuele migranten zelf komen gaandeweg beschikbaar; ook het IISG draagt daaraan bij. Relatief onderbelicht zijn de massale migratiebewegingen die tegelijkertijd binnen Azië plaats vonden. Japan, Korea, Java, maar vooral China kenden miljoenen arbeidsmigranten, zowel binnenslands als naar andere landen. In Nederlands-Indië hadden de plantages op Sumatra een grote behoefte aan ‘koelies’, die uit zowel China (205) als Java kwamen. De contouren van de binnen-Europese bewegingen van vóór de negentiende eeuw beginnen langzamerhand duidelijk te worden, maar in de periode vóór de hoogtijdagen van het wereldwijde imperialisme blijft migratie een opgave voor het onderzoek.
Als gevolg van migratiebeperkingen na de Eerste Wereldoorlog en opnieuw na de economische crisis van de jaren 1970 wordt migratie inmiddels vooral beschouwd als de oorzaak van het probleem hoe de grote vluchtelingenstromen moeten worden gereguleerd en ingedamd, en hoe illegale grensoverschrijdingen bestreden kunnen worden (206). Moderne staatsvorming stelt de autoriteiten in staat in korte tijd hele groepen van hun territorium uit te sluiten op een schaal die vroeger nauwelijks denkbaar was. Wel veroorzaakten eerdere grenswijzigingen al grote vluchtelingenstromen, bijvoorbeeld bij de ineenstorting van de Europese keizerrijken na de Eerste Wereldoorlog of bij het einde van Brits-Indië. De opkomst van Nazi-Duitsland en andere dictaturen dreef velen in ballingschap (207-208). Inmiddels zijn vluchtelingen echter een ‘global’ fenomeen geworden, dat zich voortdurend verplaatst en hele regio’s langdurig kan ontwrichten (209).
Misschien de bekendste vorm van onvrijwillige migratie was de transatlantische slavenhandel. Een Surinaamse suikerplantage als Wayampibo, aan de boven-Commewijne, was van slavenarbeid afhankelijk. De plantage was rond 1671 gesticht en begin achttiende eeuw in handen van Gerard de Vree uit Arnhem, die ook Vossenburg bezat. Het NEHA kocht in 1927 op een Arnhemse veiling een deel van de administratie. De jaarbalans toonde op niet mis te verstane wijze hoe de slaaf een productiemiddel is dat op gegeven moment aan zijn eind komt.
Noord-Amerika bleef na de Pilgrim Fathers een geliefde bestemming voor mensen die om religieuze redenen Europa wilden verlaten, en ook binnen Amerika maakten ideëel gemotiveerde groepen geregeld van de ruimte gebruik om kolonies te stichten. In 1848 trokken de volgelingen van John Humphrey Noyes (1811-1886) naar Oneida, in het noordwesten van de staat New York, om er als ‘Perfectionisten’ in een religieus communisme te leven. De foto uit 1863 toont de productie van reistassen, die aan buitenstaanders werden verkocht.
De Doechoboren - een religieuze groep die al in het achttiende eeuwse Rusland vervolgd werd om haar pacifisme en collectivisme en haar afwijzing van de overheid en de Orthodoxe Kerk - mochten in 1897 emigreren, mits ze nooit meer terugkwamen. Velen trokken naar Canada, gesteund door onder meer de schrijver Tolstoj en de anarchist Kropotkin, en vestigden zich in een aantal kolonies in wat nu Saskatchewan is. De scheepsarts tijdens de overtocht maakte op 31 januari 1899 een rekening voor medicijnen op.
Afschaffing van de plantageslavernij in de aantrekkingsgebieden en overbevolking in afstotingsgebieden als India, China, Japan en Java leidde tot de opkomst van de ‘koelie’, meerjarige contractarbeiders die dikwijls hun vrijheid verloren vanwege verkregen voorschotten. Op Sumatra trokken de nieuwe cultuurmaatschappijen na 1870 veel koelies aan. De Chinese migranten organiseerden zich veelal in ‘kongsi’s’. De kongsi Wanyi gaf Chen Jifan in 1889 als lidmaatschapsbewijs een diploma (van stof, dus duurzamer) met een afbeelding van de god Lu, die welvaart bracht.
De negentiende eeuw en de jaren 1950-1975 waren de gouden tijd van de vrije migratie. Nadat het aantrekken van ‘gastarbeiders’ was gestaakt, bleef voor arbeidsmigranten als enige legale optie het vluchtelingschap. De Europese landen voerden steeds meer beperkende maatregelen in tegen de komst van ‘economische’ migranten. United for Intercultural Action, een in 1992 opgericht netwerk tegen racisme, publiceerde in 1998 een lijst van ruim 1000 sterfgevallen van migranten aan de grenzen van ‘Fortress Europe’, een aantal dat sindsdien tot 11.000 steeg.
Door het om zich heen grijpende nationalisme nam gedwongen migratie om politieke redenen vanaf de negentiende eeuw sterk in omvang toe, eerst in Europa en later wereldwijd. Gemakkelijk was dit niet: vaak eiste het ontvangende land papieren die alleen het ontvluchte land kon geven. In het geval van Rudolf Rocker (1873-1958), een vooraanstaand anarcho-syndicalist die in 1933 uit Duitsland naar de Verenigde Staten vluchtte, was Albert Einstein (die dit wel vaker deed) bereid te helpen bij een verblijfsvergunning.
Enkele Duitstalige schrijvers in ballingschap vonden in de jaren dertig onderdak voor hun publicaties bij Nederlandse uitgeverijen. Zo publiceerde Joseph Roth (1894-1939) in 1934 bij Allert de Lange het boek Der Antichrist, waarvan hij de naamgever in Sovjet-Rusland en Nazi-Duitsland, maar ook in Hollywood aantrof. Het archief van deze uitgeverij, die ook werk van Bertolt Brecht, Stefan Zweig en anderen uitgaf, werd in 1940 door de Duitsers in beslag genomen en kwam via Moskou en Potsdam in 1991 terug naar Amsterdam.
Een belangrijke migrantenstroom wordt gevormd door de vluchtelingen die door binnenlandse conflicten naar een buitenland verdreven worden. Na de Partition van 1947 migreerden 15 miljoen mensen van en naar India en Pakistan. Conflicten met hindoes in de Indiase deelstaat West-Bengalen deden in 1964 opnieuw honderdduizenden moslims naar Oost-Pakistan vluchten, waar nu spanningen met niet-moslims ontstonden. Veel christelijke Garo’s vluchtten op hun beurt uit de noordelijke provincie Mymensingh naar de Garo Hills in India, zoals deze foto van 18 maart 1964 laat zien.
Internationale organisaties van politiek-oppositionele bewegingen kennen een lange geschiedenis, maar na de Tweede Wereldoorlog veranderden ze langzaam maar zeker van karakter. De oude sociale bewegingen hadden de catastrofes van de twintigste eeuw niet weten te voorkomen en de mensheid zag zich voor geheel nieuwe problemen geplaatst, zoals de dreiging van totale vernietiging in een kernoorlog. Steeds betere communicatiemiddelen kwamen beschikbaar voor steeds meer mensen. Naast de oude, gestructureerde organisaties ontstonden nieuwe vormen, die losser konden zijn, lokaal gevormd maar toch soms met internationale verbindingen, en onbekommerd om hun levensduur. Voor verzamelende instellingen als het IISG had dit grote gevolgen. Hoe moeilijk bijvoorbeeld de verwerving van het archief van de Duitse sociaal-democratie onder de Hitler-dictatuur ook was, toch lukte dit mede omdat deze beweging een lange traditie van professionele secretarissen, bibliothecarissen en archivarissen had. Dit was bij de nieuwe bewegingen doorgaans niet of nauwelijks het geval.
Ook oudere internationale organisaties hadden soms al een bijzondere vorm, doordat zij zich concentreerden op één kwestie die in vele landen voorkwam, zoals dienstweigering (210). Sommige nieuwe sloten aan bij de internationale avant-garde tradities en leverden een totale kritiek op het leven onder alle politieke regimes (211-212). De Amerikaanse inmenging in Vietnam leidde tot het ontstaan van een internationaal netwerk van actiegroepen, die in de VS een fundamentele kritiek op de liberale pretenties van de regering formuleerden (213) en in het buitenland beschuldigingen van onderdrukking en moord uitten, die op de eigen regeringen konden terugslaan (214). In 1968 leken deze protestvormen elkaar wereldwijd te vinden in een golf van opstanden en bewegingen tegen de gevestigde orde, van welke ideologie dan ook (215-216). De globalisering had het gezicht van het Amerikaanse imperialisme, waartegen nieuwe organisaties van de 'stadsguerilla' (217) of de jihad (221) werden gevormd; of van de instituties van het internationale kapitalisme, die systematisch internationaal protest uitlokten (218-220).
Naast de arbeidersbeweging had ook de vredesbeweging een lange traditie van internationale samenwerking, die terugging tot midden negentiende eeuw. Radicale pacifistische en anti-militaristische groepen stichtten in 1921 op initatief van de Quaker Kees Boeke (1884-1966) te Bilthoven de organisatie Paco (Esperanto voor ‘vrede’), die in 1923 werd omgedoopt tot War Resisters’ International. De WRI introduceerde begin jaren dertig het ‘gebroken geweertje’. Ze maakte zich sterk voor dienstweigeraars, in de Bondsrepubliek Duitsland zelfs nog voordat de Bundeswehr in 1955 werd opgericht.
In de grensoverschrijdende traditie van de twintigste-eeuwse avant-garde werd in 1957 te Cosio d’Arroscia de Situationistische Internationale opgericht, met als belangrijkste stichtingsdocument een rapport van Guy Debord (1931-1994). De organisatie, waarvan ook enkele vroegere Cobra-leden deel uitmaakten, ontwikkelde een tegelijk artistieke en politieke kritiek op het dagelijks leven en had een grote invloed op radicale groepen in Europa, met name in Frankrijk en Italië in 1968. In 1959 publiceerde Debord samen met Asger Jorn (1914-1973) Mémoires, met een vernietigende omslag.
De Amerikaanse interventie in Vietnam lokte wereldwijd protestbewegingen uit, waartussen gaandeweg contact tot stand kwam. Het verzet tegen de dienstplicht (die de naoorlogse geboortegolf trof) deed tienduizenden Amerikanen naar het buitenland vluchten, waar zij steeds vaker georganiseerd werden opgevangen. In de Verenigde Staten en Europa ontstond een New Left. Een nieuwe underground pers legde verbanden tussen verschillende sociale bewegingen. Dit nummer van de Los Angeles Free Press verscheen kort na de vijf dagen durende rassenrellen in Detroit in juli 1967.
Evenals in de Verenigde Staten liep het protest tegen de oorlog in Vietnam ook elders voor een belangrijk deel niet langs de gebruikelijke kanalen, maar werden er voor dit doel nieuwe organisaties gevormd. In Groot-Brittannië vond Bertrand Russell (1872-1970) de in 1958 opgerichte Campaign for Nuclear Disarmament onvoldoende actief en richtte hij in 1960 het Committee of 100 op, dat geweldloos, maar door burgerlijke ongehoorzaamheid en directe actie voor vrede ijverde. In 1963 werd het in regionale, soms radicalere comités opgedeeld.
De invloed van steeds actievere sociale bewegingen naast en soms zelfs tegen de traditionele politieke partijen en vakbonden liep in de tweede helft van de jaren zestig naar een hoogtepunt, dat in 1968 in Frankrijk bereikt werd. In mei leidden conflicten aan de universiteit tot straatgevechten en barricades in Parijs (met gebruik van kasseien) en vervolgens tot de eerste wilde algemene staking uit de geschiedenis. De opstandigheid uitte zich op tal van terreinen, ook dat van de dichtkunst.
Sommige bewegingen radicaliseerden. Gewapende groepen begonnen een ‘stadsguerilla’ tegen kapitalisme, imperialisme en staat, met name in Italië en Duitsland. In 1970 ontstond de Rote Armee Fraktion, maar al in juni 1972 werden de leiders van de ‘eerste generatie’, Andreas Baader, Gudrun Ensslin, Ulrike Meinhoff en Jan-Carl Raspe, gearresteerd. Zij werden gevangen gehouden en veroordeeld in Stammheim, waar zij in 1976 (Meinhoff) en 1977 zelfmoord pleegden. De boeken die zij in de gevangenis lazen en annoteerden, worden in het IISG bewaard.
Het verzet tegen ‘globalisering’ - met haar vele betekenissen - nam in de eenentwintigste eeuw zelf globale vormen aan, bijvoorbeeld in optreden tijdens en tegen de bijeenkomsten van organisaties als het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank of de Wereldhandelsorganisatie. Toen deze laatste in 2005 een conferentie in Hong Kong belegde, werd daartegen de Hong Kong People’s Alliance gevormd, een netwerk van vooral locale groepen, die een week lang protestacties hielden. Daarbij werden ook T-shirts, hoofddeksels en vaantjes ingezet.
Aangemoedigd door de geslaagde guerilla tegen Sovjet-troepen in Afghanistan in de jaren negentig ontwikkelden islamistische militanten hun eigen globale verzet tegen de door Amerika belichaamde globalisering. Symbolisch middelpunt werd de eind 1988 opgerichte organisatie al-Qaida (de Basis) onder Osama bin Laden (*1957), die voortbouwde op radicale ideeën van de Moslim Broederschap en de terugkeer naar een oorspronkelijke Islam voorstond. Deze in Caïro verschenen publicatie uit 2002 riep de vraag op of bin Laden “de lang verbeide mahdi of een misleidende messias” was.
Onmiskenbaar oefenden de idealen van de Verlichting een grote invloed uit op de stichting van de Volkenbond (1919-1946) en nog meer op de Verklaring van de Rechten van de Mens, die in 1948 door de Verenigde Naties werd aangenomen. Sindsdien negeerden veel lidstaten evenwel de hooggestemde spelregels die zij zo plechtig eigenhandig hadden ondertekend, soms zelfs routinematig. Dit leidde tot het ontstaan van tal van organisaties die zulke schendingen aan de kaak stelden en morele druk probeerden uit te oefenen op de overtreders.
Eerdere organisaties op dit terrein hadden zich na de strijd tegen de slavernij in het bijzonder gericht op de vrouwenhandel (de ‘blanke slavinnen’, 222) en de kinderarbeid (223). Nationale en internationale protestbewegingen daartegen dateren al uit de negentiende eeuw. Bewegingen voor dierenwelzijn zijn overigens op sommige plaatsen niet veel jonger.
Momenteel is Amnesty International de meest invloedrijke mensenrechtenbeweging in de wereld; in 1998 koos ze het IISG als bewaarplaats van haar archief (224-225). Het spreekt vanzelf dat de talloze documenten die deze organisatie over aanslagen op de rechten van werknemers heeft verzameld, direct aansluiten bij de kernverzameling van het Instituut, maar ook het overige materiaal past bij een snel groeiende deelcollectie. In China (226) en Rusland (227-228), waar eerder in de twintigste eeuw al massale schending van de mensenrechten plaatsvond, zijn organisaties ontstaan die zich zowel om de herinnering van oudere slachtoffers als om het lot van nieuwe bekommeren.
Een niet te onderschatten effect van de verspreiding van het bewustzijn dat iedere mens fundamentele rechten heeft, is dat het de mogelijkheid schept uiteenlopende eisen de vorm te geven van een beroep op de mensenrechten. Zo kunnen de grenzen van de VN-verklaring worden opgezocht ten aanzien van het recht op een eigen seksuele voorkeur (229) of het recht van boeren op land (230).
De beweging voor afschaffing van de slavernij was begin negentiende eeuw de eerste internationale beweging voor mensenrechten. Tegen het einde van de eeuw werd echter vastgesteld dat er nog steeds een internationale handel in ‘blanke slavinnen’ bestond, ten dienste van de prostitutie. In 1875 werd hiertegen de eerste voorloper van de Fédération Internationale Abolitionniste opgericht. De Noorse schrijfster Elisabeth Schøyen (1852-1934) publiceerde in 1907 Den hvide Slavinde, dat in het Nederlands vertaald werd door de feministe Margaretha Meyboom (1856-1927).
In de negentiende eeuw begon men in Europa kinderarbeid niet meer vanzelfsprekend te vinden, maar het familie-inkomen woog lang zwaar. Rond het jaar 2000 trok deze Indiase familie - de ouders en twee jongens van zes tot acht jaar - achthonderd kilometer van Etah (Utar Pradesh) naar de fabriek in Gandhinagar (Gujarat), waar ze dagelijks van middernacht tot 12 uur de klei kneedden en in houten vormen persten om deze op de grond te legen, zodat de steen kon drogen voor de oven.
Organisaties als het in 1961 gestichte Amnesty International of de in 1976 opgerichte Moskouse Helsinki Groep probeerden regeringen te houden aan verklaringen over mensenrechten die ze zelf getekend hadden. Opgericht door Peter Benenson (1921-2005), een advocaat gespecialiseerd in arbeidsrecht, en de Quaker Eric Baker (1920-1976), kreeg AI steun van prominenten als Albert Schweitzer, die een vergelijking met het in de jaren 1860 ontstane Rode Kruis maakte. Behalve met gedegen rapporten manifesteerde AI zich al snel met opmerkelijke affiches en T-shirts.
Nadat de leiders van de bloedige Culturele Revolutie waren uitgeschakeld, werd China herhaaldelijk het tafereel van bewegingen voor democratische vrijheden die meer of minder krachtig werden onderdrukt. Het overlijden van ex-partijvoorzitter Hu Yaobang (1915-1989), die democratische hervormingen had voorgestaan, leidde tot demonstraties op het Tiananmen-plein in Beijing, die wekenlang duurden, totdat het leger er een einde aan maakte. Kort voordien hadden de demonstranten een beeld van de ‘godin van de democratie’ op het plein opgericht, waarvan kleine replica’s werden gemaakt.
De openheid van de jaren tachtig deed in Rusland verschillende organisaties ontstaan die zich inzetten voor de slachtoffers van staatsrepressie, aanvankelijk vooral in het Sovjet-verleden, maar weldra ook in het heden. Dmitrij Krikor’janc, een medewerker van de groep rond het blad Ekspress-Chronika, dat in 1987 als illegaal mensenrechten-bulletin begonnen was, hield een dagboek bij over de gebeurtenissen in Tsetsjenië en publiceerde geregeld over zijn bevindingen. Hij werd in april 1993 een van de eerste in het nieuwe Rusland vermoorde journalisten.
Het gezin werd in 1948 in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens tot “de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij” verklaard. Organisaties van seksuele minderheden voerden sindsdien overal acties over de interpretatie van deze formulering. In juni 1992, niet lang na de val van de Sovjet-Unie, werd in Sint-Petersburg een ‘rose-blauw cultureel festival’ georganiseerd, naar analogie van de Duitse Christopher Street Dag, in het Lenin-Cultuurhuis bij het metrostation Proletarskaja. Homoseksualiteit bleef evenwel een zeer omstreden zaak.
De VN Verklaring van 1948 gaf iedereen het recht op eigendom en maatschappelijke zekerheid, op arbeid en een “rechtvaardige en gunstige beloning” daarvoor. In 1988 vulde de Braziliaanse grondwet nog aan dat grond een ‘sociale functie’ behoort te hebben. De Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra, die aan het begin van de jaren tachtig ontstond, organiseerde honderdduizenden landarbeiders zonder grond in een poging landhervormingen te bewerkstelligen. De MST ging ook samenwerken met de in 1992 gestichte internationale boerenorganisatie Via Campesina.
Bezorgdheid om het milieu is zo oud als de steden. Stankoverlast van afval, overlast van ovens, de verspreiding van besmettelijke ziekten vormden een bron van lokale en in het laatste geval soms zelfs van internationale zorg. De atoombommen die in 1945 op Japan werden geworpen, veranderden echter iets fundamenteels: hier was een kracht ontketend die op den duur misschien niet te beheersen viel. De wapenwedloop tijdens de Koude Oorlog bracht het besef dat de hele wereld gevaar liep. En naast de militaire toepassingen van kernenergie veroorzaakte ook het vreedzame gebruik voor de opwekking van electriciteit of de gezondheidszorg het probleem van de opslag van kernafval. In 1972 betoogde de Club van Rome daarnaast dat fossiele brandstoffen en metalen bij onverminderde ontginning uitgeput zouden raken - laat staan bij een toename daarvan door de explosief stijgende wereldbevolking.
De meest prominente beweging die deze waarschuwingen overnam en bundelde, was Greenpeace, ontstaan uit de vredesbeweging in Amerika en Canada aan het begin van de jaren 1970 en wereldwijd bekend geworden door aansprekende acties die een grote publiciteit kregen (231). Ook Greenpeace International koos het IISG als bewaarplaats van haar archief. De beweging was een grote inspiratiebron voor de vele organisaties die zich zorgen maakten om het milieu in de breedste zin van het woord (232). Zowel hun actieradius als hun zorgen breidden zich sterk uit met de val van het IJzeren Gordijn (233). Nieuwe ontwikkelingen lokten nieuwe reacties uit: de productie van genetisch gemanipuleerd voedsel kon gekoppeld worden aan een radicale kritiek op de wetenschap in dienst van een kapitalisme dat de kwaliteit van het leven negeert (234). Zo werden ethische vragen opgeroepen, die niet ophielden bij de mens (235-236), maar al sinds de dagen van de familie Marx nog in de vorm van een spel konden worden gegoten (237-239).
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond bezorgdheid over de nieuwe kernwapens en over kernenergie in het algemeen. Een organisatie die zich tegen Amerikaanse kernproeven verzette, ontwikkelde zich begin jaren zeventig tot Greenpeace, dat zich vervolgens met veel bredere milieuproblemen ging bezighouden. De nieuwe problematiek bracht nieuwe actiemiddelen, waarbij al vanaf het begin schepen werden ingezet. In 1978 nam Greenpeace de (eerste) Rainbow Warrior in gebruik, waarvan hier het logboek; in 1985 werd het schip door een Franse speciale eenheid tot zinken gebracht.
De nieuwe actiemiddelen van de milieubeweging omvatten, naast geheel op de moderne media toegesneden film- en videoproducties, ook sinds de jaren zeventig de op grote schaal snel en goedkoop te vervaardigen buttons, waarvan het IISG er vele duizenden bezit. Het Deense speldje ‘atomkraft? nej tak’ (atoomenergie? nee, bedankt) werd in tegen de dertig miljoen exemplaren in zeker 45 talen verspreid. Het logo van Anne Lund en Søren Lisberg uit 1975 werd ook in tal van andere vormen gebruikt.
Bij de naoorlogse kernproeven werd slechts in beperkte mate rekening gehouden met eventuele misrekeningen en de mogelijke uitwerking op bij- en omwonenden, met name wanneer het om bovengrondse proeven ging. In 1989 werd te Alma Ata in Kazachstan de internationale anti-nucleaire beweging Nevada Semipalatinsk opgericht. De organisatie koos haar naam naar het belangrijkste testgebied in de Sovjet-Unie, Semipalatinsk, waar ongeveer een miljoen mensen aan nucleaire straling werden blootgesteld, en het Amerikaanse equivalent Nedava, waar kort tevoren anti-test demonstraties waren gehouden.
De wetenschap, die de atoombom had voortgebracht, werd nu ook vaker verdacht bij ontwikkelingen waar grote ondernemingen van profiteerden, met name in de farmaceutische industrie en de biotechnologie. Experimenten met genetisch gemodificeerde planten en hun gebruik als voedingsmiddel (‘frankenfood’) lokten protesten uit, die in Frankrijk soms een radicaal karakter aannamen en uitmondden in een scherpe kritiek op de moderne industrie en technologie als zodanig. René Riesel (*1950) was in mei 1968 de eerste voorzitter van het bezettingscomité van de Sorbonne.
Sommige critici zagen in de economische ontwikkeling een algemene tendens tot veronachtzaming van het leven, ook ten aanzien van dieren. Zij bouwden daarbij soms voort op het vegetarisme of de beweging tegen vivisectie, die al in de negentiende eeuw een georganiseerde vorm aannamen. De manier waarop dieren gehouden werden, vooral in de bio-industrie, kwam al evenzeer onder vuur te liggen als hun gebruik in circussen, voor proefen of om hun pels. “Ik ben geen bontmantel,” zei de vos in 2001.
De zorg voor mens en dier liep soms in elkaar over: al in 1824 was William Wilberforce, die de strijd tegen de slavernij had geleid, een van de oprichters van de Society for the Prevention of Cruelty to Animals. Ook dit eind-twintigste eeuwse affiche van de Deutscher Tierschutzbund bracht mens en dier in verband - beiden gelijkelijk bedreigd door gevaren waar de dieren slechts nog weerlozer tegenover stonden en die een nieuw ark van Noach nodig leken te maken.
Het nuttige met het aangename verenigend hebben vele militanten spelletjes gespeeld en bedacht. Bij de familie Marx thuis in Londen werd Strikes gespeeld, waarvan de handleiding helaas verloren is gegaan, maar dat op een soort industrieel ganzenbord moet hebben geleken. Alles over “de evolutie van de eenvoudige warenhandel naar het kapitalistische productie-systeem en de centrale plaats die meerwaarde speelt in de analyse van het kapitalistische systeem,” kon men leren door het spelen van Marx-erger-je-niet, dat in 1981 te Leuven werd vervaardigd.