Anti-communistische oppositie

Na de Tweede Wereldoorlog was het voor het IISG lange tijd moeilijk verzamelen in Oost-Europa. Dat had deels te maken met het vertrek van Nikolaevskij naar de Verenigde Staten, maar het waren toch vooral de overal ingevoerde censuur en het neerdalen van het ‘IJzeren Gordijn’ die maakten dat de gebruikelijke kanalen voor het verkrijgen van documentatie snel dichtslibden. Veel is dan ook pas later verworven, dank zij Westerse journalisten en andere reizigers die in de naoorlogse jaren nog wel enige bewegingsvrijheid genoten.

De bezetting en transformatie van Oost-Europa door de Sovjet-Unie ging niet zonder slag of stoot. In 1953 kwamen arbeiders in Berlijn in opstand (107) en in 1956 in Hongarije (108-109). Ondanks de doorgevoerde zuiveringen bleken de nationale communistische partijen dikwijls ‘onbetrouwbaar’ en eigengereid, zoals de Praagse Lente van 1968 demonstreerde (110-111). De détente in de Koude Oorlog en vooral de door Michail Gorbatsjov geïntroduceerde glasnost’, die het maatschappelijk leven in de Sovjet-Unie en Oost-Europa vrijer liet ademen, bood het Instituut vanaf het midden van de jaren tachtig weer gelegenheid de gebeurtenissen op de voet te volgen, mede door steunpunten in Praag (begin jaren negentig) en Moskou (vanaf 1992). De hernieuwde activiteit resulteerde in de verwerving van waardevolle documentatie over het Poolse Solidarnosc (112) en de val van het communisme in Roemenië (113) en Hongarije (114). In Rusland werden na 1991 ook belangrijke collecties over dwangarbeid en repressie op microfilm gezet. Daarnaast werd veel van de nieuwe ‘alternatieve’ pers en de oudere ondergrondse samizdat (115-117) verzameld. In het uiteenvallende Joegoslavië leverde het IISG een bijzondere inspanning om het materiaal van verschillende vredesbewegingen veilig te stellen (118); veel daarvan was voor het eerst op grote schaal digitaal. Bij al deze ontwikkelingen leek Cuba, dat ooit door sommigen als niet-Stalinistisch alternatief was gezien, steeds meer op een ‘overlever’ (119).