De grote theoretici

De invloedrijkste denkers over de economie woonden in Engeland, dat in de achttiende eeuw Nederland als belangrijkste handelsnatie onttroonde en de eerste industriële revolutie begon. De in Nederland geboren Bernard de Mandeville goot zijn ideeën in de vorm van een berijmde fabel over de maatschappelijke vooruitgang als resultaat van particuliere ondeugden (11). De Schot Adam Smith schreef het eerste volledige economische handboek, The Wealth of Nations (12). Hij - en met hem iets later David Ricardo (13), een Engelsman van Nederlandse afkomst - ontwikkelde het concept van de vrije markt. Samen worden deze schrijvers gezien als de geestelijke vaders van kapitalisme en liberalisme. Dat wil niet zeggen dat zij en hun navolgers de rol van de staat negeerden: theoretici als de Zwitser Jean Sismonde de Sismondi en de Engelsman John Stuart Mill zagen daarvoor met name een belangrijke rol weggelegd bij het verlenen van publieke diensten en de bescherming van arbeiders (14) en vrouwen (15-16).

Karl Marx en Friedrich Engels, twee Duitsers die een groot deel van hun leven in Engeland doorbrachten, bouwden op deze ideeën voort, maar gaven er een andere wending aan. Vooral na hun dood, dus vanaf het eind van de negentiende eeuw, nam hun invloed sterk toe, doordat hun gedachtengoed de grondslag ging vormen van het socialisme en het communisme. Das Kapital werd een van de bekendste - zij het niet een van de meest gelezen - boeken ter wereld (17-19). Marx en Engels huldigden een alternatief standpunt: een rechtvaardige maatschappij moest niet door de markt geregeerd worden, maar in eerste instantie door de staat en uiteindelijk door de producenten. Dit was niet door intellectuele debatten en kleine hervormingen, maar alleen door een revolutie te bereiken. Hun papieren vormen de beroemdste vooroorlogse acquisitie van het IISG.