Het Nabije en Midden-Oosten

Zoals alle geleerden van zijn generatie was Posthumus lang Eurocentrisch ingesteld, niet uit beginsel, maar in de praktijk. Tot aan de Tweede Wereldoorlog hield het bijeenbrengen van Nederlandse en daarna bedreigde Europese archieven hem bovendien meer dan bezig. Wel verwierf hij voor het NEHA koloniale stukken uit Oost- en West-Indië (nu respectievelijk Indonesië, en Suriname en de Antillen), maar dat veranderde weinig; het NEHA zou veel van dit materiaal overigens in de jaren zeventig in bruikleen aan het Rijk overdragen. Eerst op latere leeftijd wendde Posthumus alsnog de steven. Als directeur van de uitgeverij Brill met haar grote Orientaalse fonds begon hij in 1957 het tijdschrift Journal of the Economic and Social History of the Orient. Op 77-jarige leeftijd combineerde hij zo voor een geheel nieuw gebied twee van zijn eerdere initiatieven, de oprichting van het NEHA-Jaarboek in 1914 en de International Review for Social History in 1936.

Het IISG raakte dit aanvankelijk niet. Ook organisatorisch bleef lang zichtbaar dat het zich sterk op Europa richtte: pas in 1964 werden Afrika en Azië uit de Nederlandse afdeling losgemaakt en (tot 1968 nog samen met de Angelsaksische wereld) onder leiding van Fritjof Tichelman geplaatst, een kenner van de Indonesische geschiedenis. Toen het Instituut zich eind jaren tachtig ging herbezinnen op zijn verzamelbeleid, kreeg hij gaandeweg gezelschap van specialisten op het gebied van de Turkse, Chinese, Iraanse en Arabische sociale geschiedenis. Een van de aanleidingen voor de belangstelling voor de Arabische en islamitische wereld was de komst naar West-Europa van de zogenaamde gastarbeiders - in Nederland vooral Turkse en Marokkanse arbeidsmigranten, later gevolgd door hun familieleden. Het begin van het verzamelen van materiaal over het Nabije en Midden-Oosten sloot te gelegener tijd aan bij het streven van de nieuwe IISG-onderzoeksafdeling om los te breken uit de Eurocentrische traditie in de geschiedenis van de arbeidersbeweging.