Kolonialisme en imperialisme

Een van de grote vragen van sociaal-economisch historici over de Great Divergence tussen the West en the Rest betreft het moment waarop de grote inkomensverschillenwereldwijd zijn ontstaan. Dateert de Europese voorsprong op andere delen van de wereld - met name op China en het India van de Moghuls - uit 1500, 1600, 1700 of pas 1800, of misschien toch van nog eerder? Een achterliggende vraag daarbij is of de bloei van the West voornamelijk te danken is aan de uitbuiting van the Rest. Met andere woorden: draagt het kapitalisme in de vorm van kolonialisme en imperialisme de schuld van de bestaande armoede in de wereld?

Nederland speelde bij het ontstaan van het kolonialisme een bijzondere rol. De Verenigde Oostindische Compagnie stuurde evenveel schepen naar Azië als alle andere landen samen. Actief van Zuid-Afrika tot aan China en Japan, is ze met haar 50.000 personeelsleden wel de eerste multinational ter wereld genoemd. De Nederlandse vestiging Decima was van 1641 tot 1854 de enige Europese handelspost in Japan (154). Daarnaast had de VOC tientallen belangrijke en nog veel meer kleinere vestigingen op de kusten van India, Ceylon en Indonesië (155). In Amerika waren Nederlandse handelaren en plantage-eigenaars vooral actief in het Caraïbische gebied (156).

Vanaf het einde van de achttiende eeuw werd de Europese bemoeienis met de rest van de wereld intensiever (157-158). Met de komst van de stoomvaart in de negentiende eeuw kregen oude idealen om oceanen door middel van kanalen te verbinden ineens een ander perspectief. Het graven van het Suez-kanaal was zo’n ideaal van de aanhangers van de vroege (‘utopische’) socialist Saint-Simon (159-160). Bij natuurlijke zeestraten verrezen wereldhavens, zoals in Singapore (161-162). Naast de handel kwam ook de grootschalige koloniale landbouw (163-164), mijnbouw en industrie op. Grote aantallen Europeanen leerden de cultuur van hun koloniën kennen, maar ook omgekeerd (165-166).