Nieuwe sociale bewegingen

Spoedig bleek dat politieke onafhankelijkheid pas een eerste stap was. Structurele problemen, al dan niet in relatie tot het koloniale verleden, bleken hardnekkige obstakels op de weg naar grotere economische en maatschappelijke gelijkheid. Politieke bewegingen naar het model van de Europese politieke partij of vakbond bleken geen simpele oplossing. Daarom kwamen overal in de ‘derde wereld’ nieuwe sociale bewegingen op.

Sommige daarvan waren revolutionair en beoogden een totale politieke omwenteling, zoals de Naxalieten in India (188) of de Rode Khmer in Cambodja (189) - de eerste nog dagelijks actief, de laatste verdwenen na een uitzonderlijk bloedig bewind in de periode 1975-1979. Andere waren minder gewelddadig, maar soms effectiever, zoals de bewegingen tegen de Indonesische president Soeharto (190-192) en tegen de Thaise premier Thaksin (193). Natuurlijk lieten de regeringen waartegen de nieuwe sociale bewegingen waren gericht, deze kritiek niet op zich zitten. Zo nam Maleisië kort na zijn onafhankelijkheid strenge binnenlandse veiligheidswetten aan (194).

Andere sociale bewegingen ontstonden onder minderheden die zich bedreigd voelden, zoals christenen in Bangladesh (195) of het Karenni-volk in het oosten van Birma (196). Sinds een jaar of tien doet het IISG grote moeite om de sociale bewegingen in dit land met zijn lange geschiedenis van militaire dictatuur in kaart te brengen: de Birmese oppositie zit of in de gevangenis (197-198) of in het buitenland (199).

Een derde type nieuwe sociale bewegingen in Azië begon aandacht te vragen voor belangrijke taken die de regeringen lieten liggen. Zij worden met de verzamelnaam niet-goevernementele organisaties (NGO’s) aangeduid – een term die vooral sinds de jaren 1990 populair is geworden, maar al in het handvest van de Verenigde Naties voorkomt. Het IISG heeft bijzondere aandacht voor de organisaties die zich bekommeren om de bevordering van betere arbeidsomstandigheden en arbeidersrechten (200).