IISG

Liefdadigheid in de Gouden Eeuw

Schilderij van Jan SteenHet onderzoeksproject Giving in the Golden Age wordt in de jaren 2008-2012 door het IISG uitgevoerd. Uitvoering is mogelijk omdat NWO het project goedgekeurd heeft als programmatisch onderzoek en er 500.000 euro voor beschikbaar stelde.

De liefdadigheid van de Nederlandse Republiek was spreekwoordelijk. Buitenlanders kwamen de armenhuizen, weeshuizen, gasthuizen en andere liefdadige instellingen bewonderen. Historici zijn het met de toenmalige buitenlandse reizigers eens dat het hier een bijzondere prestatie betrof. Nergens in Europa, en waarschijnlijk nergens ter wereld, werd zoveel geld aan liefdadige instellingen gegeven als in de Republiek. De rijkdom van de Republiek was daarvoor een voorwaarde, maar voldoet niet als verklaring. In het programma Giving in the Golden Age zal het hele scala van giften onderzocht worden.

Wanneer is een verzoek om te geven effectief? Welke factoren bevorderen dat mensen vrijwillig geven? Waarom geven mensen: wat zijn hun drijfveren en hoe wordt daar succesvol een beroep op gedaan, dat wil zeggen wat willen zij horen? Deze vragen onderzoeken we voor het gulle geefgedrag van de Nederlanders tijdens de Nederlandse Republiek. De onderzoeksperiode is 1500-1850, om zowel enig licht op de voorafgaande als de latere periode te kunnen werpen, en daarmee de liefdadigheid van de Republiek beter te kunnen duiden. Daarbij spelen zowel aan het begin van de periode (Opstand, Reformatie) als aan het einde (bijna ineenstorting van de armenzorg tijdens de Bataafse en Franse tijd) inhoudelijk zeer interessante kwesties.
Tijdens de Republiek bestond er geen liefdadiger land dan Nederland. Pas aan het eind van de achttiende eeuw kwam Engeland langszij - gemeten naar per capita liefdadigheid - en daar was de armenzorg meer een staatszaak. Bij quasi-gebrek aan nationale staat was daar geen sprake van in de Republiek. Elk gewest zorgde voor zichzelf (met alle problemen van dien overigens), en binnen elke provincie deden in alle steden en veel dorpen armenzorginstellingen een beroep op de beurs van de burger. Niet alleen dat, in beginsel verzorgde elk kerkgenootschap de eigen armen des geloofs, terwijl daarnaast burgerlijke armenzorg bestond voor degenen die de kerken (nog) niet hielpen.
Ofschoon de liefdadige gift vrijwillig geschiedde, was zij wel georganiseerd. Collectebussen stonden op plaatsen waar veel mensen kwamen zoals de kroeg, het postkantoor of het veer. Elke kerk collecteerde tijdens de dienst, en vaak ook nog in openbare huis aan huiscollectes. Ook de burgerlijke armenzorg collecteerde. In beide gevallen geschiedde dat met toestemming van de stadsoverheid en volgens een collecterooster. Het stadsbestuur zag toe op de goede organisatie van die collectes, wierp veelal een blik op de jaarrekeningen maar was verder terughoudend behalve als er sprake was van klachten van burgers die de rust in de kerk of de stad dreigden te verstoren. Deze verdeling van liefdadige taken tussen Kerk, Staat en Burger heeft het in wezen onveranderd uitgehouden tot in de twintigste eeuw.

Dit onderzoeksprogramma onderzoekt die liefdadigheid tijdens de Republiek door het stellen van een aantal eenvoudige vragen en het beantwoorden daarvan met zowel simpele als ingewikkelde bronnen. De vragen zijn deze:
1. Hoeveel en welke mensen geven en welke niet?
2. Wat geven zij, waar en wanneer?
3. Waarom geven zij en waar worden de motieven om te geven opgedaan?
4. Welke houding nemen Kerk en Staat aan tegenover de liefdadige gift?
5. Hoe kunnen gevers vertrouwen op een goede besteding van hun gaven?
Eén onderzoeker richt zich op kleine giften aan collectes, een tweede op middelgrote giften die in testamenten terug te vinden zijn en de derde op het stichten van hofjes, waarvoor een flink kapitaal gegeven moest worden. De eerste onderzoeker kijkt ook naar bedelbrieven en oproepen om te geven. Aan de literatuur zijn elf determinanten voor geven ontleend, betrekking hebbend op de gevers zelf, het goede doel en de context. Door in de deelonderzoeken het geven van de "gewone man", de middengroepen en de zeer vermogenden aan de orde te stellen, en verschillende bronnen te gebruiken, zal elk van die determinanten getoetst kunnen worden voor Nederlands Gouden Eeuw. In de synthese kan dankzij deze spreiding een overzicht worden geboden over de liefdadige gift in het sociale laboratorium dat de Nederlandse Republiek vormde. Hierbij wordt eveneens gebruik gemaakt van een internationale vergelijking.

Meer informatie is te vinden in de volledige aanvraag bij NWO met projectbeschrijving (pdf, 212 Kb, in English).

top